Symposia

SYMPOSIUM – S01
Het IDECA-symposium: geïntegreerde depressiezorg in Vlaanderen
Voorzitter
: Borgermans Liesbeth, Gastprofessor, Gastprofessor Universiteit Gent, Gent

Depressie is gerelateerd aan een belangrijke morbiditeit en mortaliteit. Fragmentatie van de geestelijke gezondheidszorg in de eerste lijn en de gespecialiseerde zorg leidt tot lange wachttijden en niet ingevulde zorgnoden. Het Belgische Integrated Depression Care (IDECA) project werd ontwikkeld om de depressiezorg vertrekkende vanuit de eerste lijn te verbeteren. Dit symposium gaat dieper in op de ontwikkeling, het implementatieproces en resultaten van IDECA. De meest belangrijke resultaten worden voorgesteld en een panel van betrokken stakeholders zal reflecteren over hoe het IDECA-project een impact heeft gehad op hun professionele werkzaamheden, alsook het gewenste beleid voor de toekomst. De verschillende onderdelen worden gepresenteerd of gemodereerd door het IDECA-onderzoeksteam vanuit Universiteit Gent en Universiteit Antwerpen (o.a. Ruben Willems, Liesbeth Borgermans, Kris Van den Broeck). Een verscheidenheid aan stakeholders participeren aan het panel.

Voorstelling IDECA
Spreker(s):
Van den Broeck Kris, Professor, Professor, Universiteit Antwerpen, Antwerpen

De opbouw van het project wordt voorgesteld in het eerste deel van het symposium. Het concept en implementatieproces worden toegelicht, alsook de verschillende interventiecomponenten. IDECA werd gedurende 18 maanden geïmplementeerd in twee Vlaamse Eerstelijnszones (ELZs). Pijlers van de interventie waren de aanstelling van een Referentiepersoon Mentaal Welzijn (RPMW) als casemanager, de ontwikkeling van zorginstrumenten zoals een zorglijnoverschrijdend shared care leidraad en een medicatiepad, psycho-educatieve modules en vorming voor huisartsen.

Resultaten
Spreker(s):
Willems Ruben, PhD, Postdoctoraal onderzoeker, Gent

De resultaten van het IDECA-project op vlak van haalbaarheid, accepteerbaarheid, effectiviteit en budget impact worden systematisch voorgesteld. IDECA hanteerde een single- arm design en een mixed-methods analyseplan. De kwantitatieve evaluatie maakte gebruik van de NoMAD-vragenlijst (om de 4 maanden) om implementatieprocessen te beoordelen op basis van de Normalization Process Theory (NPT), alsook van vragenlijstonderzoek bij patiënten. Kwalitatieve gegevens werden verzameld via intervisiesessies met professionals en semigestructureerde interviews met patiënten, en thematisch geanalyseerd. Procesregistraties werden gebruikt om de caseload te kwantificeren.

Consultatieve psychiatrie
Spreker(s):
Onderzoeker project

Een deelproject binnen IDECA was de exploratie van het concept van online consultatieve psychiatrie, welke plaatsvindt tussen een arts gespecialiseerd in de psychiatrie en een huisartsenpraktijk. Tijdens deze intercollegiale consulten verstrekt de psychiater online advies aan de huisarts over de wijze waarop een patiënt met een psychische aandoening het best kan worden behandeld en benaderd, rekening houdend met een breed scala aan factoren zoals bijvoorbeeld het ziektebeeld, aanwezige comorbiditeiten, de fysieke gezondheid van de patiënt, eerdere behandelingen, beschikbare farmaceutische en psychotherapeutische richtlijnen, draagkracht en het sociale netwerk van de patiënt. (10’)

Panelgesprek
Spreker(s):
Borgermans Liesbeth, Gastprofessor, Gastprofessor Universiteit Gent, Gent

Een groep van diverse stakeholders reflecteren in een panel over hoe zij het IDECA-project hebben ervaren en welke de centrale leerpunten zijn voor de klinische praktijk en het beleid van het project naar de toekomst toe. Er wordt gestreefd naar 5-8 participerende stakeholders. Directe stakeholders zijn onder andere aan het IDECA-project participerende huisartsen, de RPMWs en de stafmedewerkers. Indirecte stakeholders die zullen worden uitgenodigd zijn vertegenwoordigers vanuit de farmaceutische sector (Johnson & Johnson als partner en financierder van de studie) en het brede beleidsniveau. (40’)


SYMPOSIUM – S02
Majeur traumazorg bij traumatic brain injury: psychologische en psychiatrische aspecten
Voorzitter
: Van Den Eede Filip, Psychiater, PhD, Psychiater – medisch coördinator – hoogleraar Psychiatrie, UZA / CAPRI FGGW UA, Edegem

Majeur trauma na een ernstig ongeval vormt een afzonderlijke en complexe pathologiegroep, waarvoor een geïntegreerd en multidisciplinair zorgprogramma vereist is. Men dient hierbij ook aandacht te hebben voor de psychiatrische en psychosociale aspecten in de postacute fase, gezien de hoge prevalentie ervan, de mogelijke etiologische rol en de complexe interacties met de somatische toestand, evenals gezien de mogelijke impact op het verdere beloop, de revalidatie en de behandeluitkomst. In dit symposium wordt het majeur trauma zorgprogramma eerst gesitueerd en toegelicht door een urgentiearts en coördinator. Vervolgens wordt er vanuit verschillende invalshoeken dieper ingegaan de psychiatrische, klinisch psychologische en neuropsychologische aspecten van de majeurtraumazorg, met een bijzondere focus op traumatic brain injury.

Hoe bepalen we passende majeure traumazorg in een Belgische zorgcontext?
Spreker(s):
Verdonck Philip, Urgentiearts, Urgentiearts, coördinator majeur traumazorgprogramma UZA, coördinator Antwerp Trauma Network Antwerp Trauma Network UZA; Antwerps Chirurgisch Training, Anatomie en Onderzoekscentrum (ASTARC), FGGW UA, Edegem

Recent werd majeur trauma na een ernstig ongeval in diverse Belgische ziekenhuizen geïdentificeerd als een afzonderlijke en complexe pathologiegroep, met specifieke zorgbehoeften. Er is een duidelijke noodzaak voor zorgcentralisatie voor patiënten met majeure traumata, om de expertise te vergroten en de uitkomsten te verbeteren. Deze noodzaak wordt ondersteund door internationale wetenschappelijke evidentie, maar gaat gepaard met diverse bijkomende uitdagingen, bovenop de complexe fysieke letsels die deze patiënten vaak oplopen.

Hoewel de centralisatie van traumazorg de toekomst lijkt te zijn, dient de organisatie van acute traumazorg, evenals de samenwerking tussen de betrokken disciplines binnen een multidisciplinair traumateam, binnen de Belgische gezondheidszorgcontext gerealiseerd te worden. Deze transitie begint met de juiste gegevensverzameling: hoeveel gevallen van majeur trauma komen voor in een bepaalde regio? Welke patiënten vereisen gespecialiseerde traumazorg? Hoe kunnen we de bijbehorende uitdagingen systematisch in kaart brengen?

Centra die zich richten op het optimaliseren van traumazorg worden geconfronteerd met een uitdagende patiëntenpopulatie, waarbij de ernst van de verwondingen en de omstandigheden van het ongeval vaak al in de acute fase belangrijke vragen oproepen, zoals: wat is passende zorg voor deze patiënten?

In deze presentatie wordt een overzicht gepresenteerd van de regionale incidentie van majeur trauma, gebaseerd op tien jaar traumaregistratie. Hierbij zal er ook aandacht zijn voor de rol van psychiatrische aandoeningen, zoals de ernstige zelfmoordpogingen. Tevens wordt een werkend multidisciplinair zorgmodel voor majeur trauma gepresenteerd en toegelicht, inclusief de praktische uitdagingen die zich voordoen.

Tot slot wordt, aan de hand van verschillende casussen geïllustreerd dat het definiëren van de meest passende zorg niet altijd een eenduidige of gemakkelijke taak is, ook niet bij psychiatrische comorbiditeit

Eventuele opmerkingen: 2 referenties:  – Nohl A, Ohmann T, Kamp O, Waydhas C, Schildhauer TA, Dudda M, Hamsen U. Major trauma due to suicide attempt: increased workload but not mortality. Eur J Trauma Emerg Surg. 2022;48(1):519-523.  – Meyer MA, van den Bosch T, Millenaar Z, Heng M, Leenen L, Hietbrink F, Houwert RM, Kromkamp M, Nelen SD. Psychiatric comorbidity and trauma: impact on inpatient outcomes and implications for future management. Eur J Trauma Emerg Surg. 2024;50(2):439-446.

Majeur traumazorg bij traumatic brain injury: neuropsychiatrische aspecten in de post-acute fase
Spreker(s):
Van Den Eede Filip, Psychiater, PhD, Psychiater – medisch coördinator – hoogleraar, Dienst psychiatrie UZA / CAPRI FGGW UA, Edegem

De psychiatrische co- en multimorbiditeit bij majeur trauma is hoog. De psychiatrische stoornissen kunnen hierbij een gevolg zijn van het lichamelijk trauma, zoals bijvoorbeeld: een affectieve stoornis, een neurocognitieve stoornis, PTSD en/of een stoornis in het gedrag. De psychiatrische aandoening kan echter ook oorzakelijk zijn, zoals bij problematisch gebruik van middelen en/of suïcidaal gedrag en kan bovendien complexe interacties met zich meebrengen. Deze factoren zijn niet enkel klinisch van belang in de acute en postacute fase, maar hebben ook een impact op het verdere herstel tijdens de revalidatie en op de uiteindelijke de behandeluitkomst op de langere termijn. In de huidige presentatie zal er dieper ingegaan worden op de majeur traumazorg bij traumatic brain injury en op de complexe wisselwerking met psychische en psychosociale factoren. Tot slot zullen de moeilijkheden en verdere uitdagingen in het geïntegreerde en multidisciplinaire zorgbeleid besproken worden, rekening houdende met het heersend cartesiaans dualisme in de organisatie van de klinische zorg in Vlaanderen, waarbij er in de praktijk vaak de keuze gemaakt dient te worden tussen een fysiek versus een psychiatrisch zorg- en revalidatietraject.

Eventuele opmerkingen: 3 referenties:  – Howlett JR et al. Mental Health Consequences of Traumatic Brain Injury. Biol Psychiatry. 2022;91(5):413-420. – Kamarouz et al. Chronic medical illness and rehabilitation. In: Handbook of general hospital psychiatry, Stern T.A. et al. (Eds.). 2018, 371-380. – Ogonah MGT et al.   An umbrella review of health outcomes following traumatic brain injury. Nat Ment Health. 2025;3(1):83-89.

Majeur Trauma Services: het ondraaglijke dragen bij een majeur trauma?
Spreker(s):
Nurmi Leena, Klinisch psycholoog, Klinisch psycholoog Majeur traumazorgprogramma, UZA, Edegem

Er zijn uiteenlopende redenen voor opname bij Majeur Trauma Services (een verkeersongeval, val van hoogte, arbeidsongeval, zelfmoordpoging, interpersoonlijk geweld,…). Bij deze (on)gevallen dient men eerst dringende fysieke zorgen en veiligheid te bieden. Patiënten zijn vaak meteen na het ongeval (eerste uren) in overlevingsmodus en hebben geen ruimte om te reflecteren over wat er gebeurd is en hun situatie.

Wanneer de patiënten wel in de mogelijkheid zijn om hierover te spreken, hebben psychologen een brede taak. In eerste instantie doen we een screening naar acute stresssymptomen en algemeen psychisch toestandsbeeld. Er wordt therapeutisch aan de slag gegaan met de vragen van de patiënt. Het kan gaan over omgaan met een amputatie of verlamming, effecten van een delier, sociale problemen, verlies van een naaste, omgaan met verlies van autonomie (tijdelijk of permanent), suïcidegedachten, depressie, verslaving, psychose, veiligheid vinden na interpersoonlijk geweld. De psychologische begeleiding kan onder andere bestaan uit angstreductie en relaxatietechnieken, terugkeren naar window of tolerance, inzoomen op betekenisgeving en benoemen van moeilijkheden, existentiële thema’s, psycho-educatie, etc. Met andere woorden stapsgewijs en aangepast op de noden van de patiënt doen wat nodig is om het ondraaglijke mee te dragen.

Bij ernstige psychiatrische problemen hebben we nauwe samenwerking met liaisonpsychiatrie omtrent medicatie en doorverwijzing. De psycholoog exploreert de motivatie voor verdere behandeling en probeert stabilisatie te bewerkstelligen bij langere opname in het ziekenhuis.

Binnen het systeem van de patiënt heeft de psycholoog een verbindende positie: tussen de patiënt en de afdelingsarts in het vertalen van bepaalde vragen, ze werken samen met de sociale dienst aan sociale vraagstukken, ze bieden ondersteuning aan familie of modereren in familiegesprekken en ze voorzien ook een doorverwijzing naar een ambulante setting in eigen regio na opname. Een toekomstige opportuniteit is om deze psychologische begeleiding verder aan te bieden aan traumapatiënten in ambulante setting.

Eventuele opmerkingen: 3 referenties:   – Maslow AH. Motivation and personality.1954. Harper & Row. – Kamarouz N et al. Chronic medical illness and rehabilitation. In: Handbook of general hospital psychiatry, Stern T.A. et al. (Eds.). 2018, 371-380 – Meaghan L O’Donnell  et al. Stepped early psychological intervention for posttraumatic stress disorder, other anxiety disorders, and depression following serious injury. Trauma Stress.2012 Apr;25(2):125-33. Doi: 10.1002/jts.21677.

Traumatisch hersenletsel: neuropsychologische aspecten in de post-acute fase
Spreker(s):
Beeckmans Kurt, Neuropsycholoog, Neuropsycholoog UPC Duffel, UPC Duffel / Vakgroep psychologie (klinische neuropsychologie) – Faculteit Psychologie VU Brussel, Duffel

“De hersenschade die door een traumatisch hersenletsel (THL) wordt veroorzaakt kan resulteren in stoornissen in het cognitief, emotioneel en gedragsmatig functioneren. De ernst en locatie van deze hersenschade zijn bepalend voor het neuropsychologisch profiel dat wordt aangetroffen. Deze profielen verschillen tussen de groep patiënten met matig tot ernstig THL en de groep patiënten met licht THL.

De cognitieve gevolgen van matig tot ernstig THL zijn bijvoorbeeld vertraagd tempo van informatieverwerking, aandachtstoornissen, anterograde en retrograde amnesie, woordvindproblemen en executieve disfuncties. Na een matig tot ernstig THL worden ook vaak een beperkt ziekte-inzicht en veranderingen in emoties, sociaal gedrag en sociale cognitie vastgesteld.

Het merendeel van de patiënten met een licht THL herstelt binnen zes maanden volledig. Sommige patiënten (10 tot 15 procent) vertonen na zes maanden persisterende neuropsychologische problemen op cognitief vlak (vooral wat betreft tempo van informatieverwerking, aandacht, anterograad geheugen en executief functioneren) en psychisch vlak (bijvoorbeeld depressieve stemming, angstklachten of overprikkeling).

In vergelijking met patiënten met een matig tot ernstig THL zijn deze cognitieve stoornissen relatief licht. De cognitieve stoornissen van patiënten met respectievelijk matig tot ernstig THL en licht THL zullen tijdens de voordracht meer in detail worden toegelicht.”

Eventuele opmerkingen: 2 Referenties:  – Sherer M & Sander AM. (Eds.). Handbook on the neuropsychology of traumatic brain injury. 2014, New York: Springer. – Van der Naalt J & Jacobs B (Red.). Handboek traumatisch hersenletsel. 2022, Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

 

SYMPOSIUM – S03
(In)equity in Healhcare? Standaarden voor gelijke toegang tot en gelijke kwaliteit van geestelijke gezondheidszorg.
Voorzitter: Bruffaerts Ronny, psycholoog, professor, Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven – Z.org KU Leuven, Leuven

Onderzoek toont aan dat er tussen patiënten ongelijkheden bestaan in zowel de toegang tot als in de kwaliteit van zorg. Deze gezondheidszorgongelijkheden (Engels: ‘healthcare inequities’) worden omwille van hun vermijdbaar karakter als onrechtvaardig en moreel niet aanvaardbaar beschouwd. Om ze terug te dringen is het ontwikkelen van een equity-beleid noodzakelijk: dit kan betekenen dat kwetsbare groepen, in functie van hun noden en kenmerken, meer of andere zorg aangeboden krijgen.

Institute of Medicine. The National Academies Press, 2003. Unequal Treatment: Confronting Racial and Ethnic Disparities in Health Care. Washington, DC.
Marmot M., International Journal of Epidemiology, 2017, The Health Gap: The Challenge of an Unequal World: the argument., 1312–1318.

Gezondheidsongelijkheden in de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen: reflecties vanuit een populatieperspectief
Spreker(s):
Bruffaerts Ronny, psycholoog, professor, Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven – Z.org KU Leuven, Leuven

In de doelstelling ‘gezondheidsgelijkheid’ van het Quintuple Aim model wordt geëxpliciteerd dat iedereen een eerlijke kans op een goede gezondheid dient te hebben. In deze lezing zullen we een aantal ggz-gezondheidsongelijkheden op Vlaams niveau kwantificeren en bespreken vanuit de Public Mental Health Monitor (ontwikkeld vanuit Zorgnet-Icuro), een populatierepresentatieve studie in Vlaanderen bij 7,351 personen tussen 12-84 jaar (Bruffaerts et al., 2024). We bespreken socio-economische en -demografische ongelijkheden in functie van (a) het voorkomen van psychische stoornissen, (b) de toegang tot de ggz en het zogenaamde treatment gap (inclusief uitstel tot zorg, wachttijden, wachtlijsten en redenen om behandeling uit te stellen) en (c) de evaluatie van behandeling.

Bruffaerts R et al. (2024). De mythes bevraagd. Resultaten van de Public Mental Health Monitor 2023. Brussel: Zorgnet-Icuro.

Spreker: Prof. dr. Ronny Bruffaerts, Head, Center for Public Health Psychiatry, Director, WHO Collaborating Centre for Public Health Psychiatry
Ronny Bruffaerts is hoogleraar psychiatrie aan de KU Leuven in Leuven, België. Hij is theoretisch (1997) en klinisch (1998) psycholoog van opleiding en geregistreerd psychotherapeut (2004) en heeft een doctoraat in de Medische Wetenschappen (2005). Zijn belangrijkste onderzoeksgebied is het monitoren van psychische stoornissen en suïcidale gedachten en gedragingen in grote populaties. Hij was onder meer hoofdonderzoeker bij de World Mental Health-surveys van de WHO en mededirecteur van het wereldwijde WMH-ICS-initiatief (2015-2025). Sinds 2025 staat hij aan het hoofd van het WHO Collaborating Centre on Public Health Psychiatry.

De standaarden voor equity in de gezondheidszorg
Spreker(s): Verrept Hans, filoloog, sociaal-cultureel antropoloog, Celhoofd Interculturele Bemiddeling en Diversiteitsbeleid FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, Brussel
Clémence Braem, projectmedewerkster Interculturele Bemiddeling en diversiteitsbeleid FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmileu, antropoloog.

In deze context ontstond in 2005 de Migration, Equity, Diversity Task Force (hierna: MED-TF). Dit internationaal samenwerkingsverband van wetenschappers, veldwerkers en managers is onderdeel van het WHO-HPH netwerk. Het doel van de TF is in de loop van de tijd geëvolueerd naar het verminderen van gezondheidszorgongelijkheden voor alle kwetsbare groepen, en dus niet enkel voor migranten.

De MED-TF ontwikkelde een zelfbeoordelingsinstrument waarmee gezondheidsinstellingen -hun vermogen om aan iedereen zorg van gelijke kwaliteit te bieden in kaart kunnen brengen. De resultaten van deze evaluatie kunnen dan gebruikt worden om verbeterdomeinen te identificeren, verbeterplannen op te stellen, die te implementeren en de impact ervan te evalueren. Dit alles vindt plaats in de context van een proces van continue kwaliteitsverbetering.

Het instrument werd in het verleden in een 16-tal landen in meer dan 60 instellingen gebruikt. Op dit ogenblik maakt ook een 15-tal Belgische ziekenhuizen er gebruik van. Tijdens internationale bijeenkomsten worden bovendien goede praktijken en verbeterstrategieën uitgewisseld. Tijdens onze presentatie zullen we de historiek van de MED-TF evenals het zelfbeoordelingsinstrument toelichten.

De implementatie van equity-standaarden binnen de context van een psychiatrisch ziekenhuis
Spreker(s): Van Reeth, Esther, maatschappelijk werker, Coördinator Competentiecentrum Sociaal Werk, UPC KU Leuven, Kortenberg
Hemmelder Vivian, neurobioloog, Stafmedewerker kwaliteit, Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven – Z.org KU Leuven, Kortenberg

Het ontwikkelen van een gedragen en duurzaam equity-beleid begint met een organisatiebrede inventarisatie: ‘Wat is er uitgewerkt?’ en ‘Wat is gekend bij medewerkers?’. Op basis van deze bevraging kunnen good practices worden verzameld, quick wins worden geïdentificeerd en unmet needs worden opgespoord.  Vervolgens kan een strategisch plan met concrete verbeteracties worden opgesteld. In dit onderdeel lichten we toe hoe het zelfbeoordelingsinstrument ‘Standaarden voor equity in de gezondheidszorg voor migranten en kwetsbare groepen’ een kader biedt en ons geholpen heeft om het equity-beleid binnen onze organisatie in kaart te brengen.

Tot slot willen we de deelnemers op een interactieve manier warm maken om binnen hun eigen organisatie met dit zelfbeoordelingsinstrument aan de slag te gaan.

Vivian Hemmelder is sinds 2023 werkzaam in het UPC KU Leuven als stafmedewerker bij de dienst kwaliteit. In een eerdere job gaf zij reeds een equity-beleid mee vorm. Samen met Esther van Reeth begeleidt ze de stuurgroep Equity en heeft ze deze bevraging vormgegeven.

Esther Van Reeth is sinds 2000 werkzaam in UPC KU Leuven en coördinator van het Competentiecentrum Sociaal Werk. Zij werkt sinds 2014 mee aan de ontwikkeling van het zelfbeoordelingsinstrument en de uitrol hiervan binnen UPC KU Leuven. Eigen aan het sociaal werk heeft zij oog voor verschillende vormen van diversiteit en wil zij mensen en organisaties engageren om problemen op vlak van (in)equity in healthcare aan te pakken met extra aandacht voor sociale determinanten verbonden aan gezondheid.

 

SYMPOSIUM – S04
Geïntegreerde en proactieve consultatieve en liaisonpsychiatrie binnen het UZ Gent: de nieuwe weg?
Voorzitter
: Nobels Anne, MD, PhD, Ouderen- en liaisonpsychiater, UZ Gent, Gent

Psychiatrische comorbiditeit is wijdverspreid in algemene ziekenhuizen en stelt zorgverleners voor complexe klinische, organisatorische en emotionele uitdagingen. Consultatieve en liaisonpsychiatrie (CLP) speelt een cruciale rol in het ondersteunen van somatische zorgteams en het verbeteren van geïntegreerde zorg voor kwetsbare patiëntengroepen. Dit symposium belicht hoe binnen het UZ Gent – en breder in Vlaanderen – stappen worden gezet richting een meer proactieve, geïntegreerde en persoonsgerichte CLP-werking.

In een eerste voordracht wordt een Vlaams overzicht gepresenteerd van de huidige organisatie van CLP-diensten. Hoewel de werking heterogeen is en vaak beperkt in middelen, tonen de resultaten een brede inzet op snelle toegankelijkheid, multidisciplinaire samenwerking en groeiende aandacht voor proactieve en geïntegreerde zorgmodellen. De volgende twee voordrachten illustreren hoe deze principes concreet worden vertaald naar zorgpaden voor specifieke patiëntengroepen. Het perinatale zorgpad psychiatrie toont hoe systematische risicobeoordeling, screening en laagdrempelige doorverwijzing binnen de routine zwangerschapszorg leiden tot vroegdetectie en betere continuïteit van perinatale mentale gezondheidszorg. Daarnaast wordt de geriatrisch-psychiatrische unit (GPU) voorgesteld als een innovatief zorgmodel voor ouderen met complexe geriatrisch-psychiatrische comorbiditeit, met bijzondere aandacht voor interdisciplinaire samenwerking en ondersteuning van zorgverleners. Tot slot brengt een somatisch verpleegkundig perspectief de dagelijkse realiteit van psychiatrische comorbiditeit op somatische afdelingen in beeld. De bevindingen onderstrepen de nood aan gerichte training, duidelijke samenwerkingsstructuren en een versterkte CLP-aanwezigheid.

Samen illustreren deze bijdragen hoe geïntegreerde en proactieve CLP binnen het UZ Gent vorm krijgt, en bieden zij aanknopingspunten voor verdere ontwikkeling van duurzame en persoonsgerichte ziekenhuispsychiatrie.

Geïntegreerde en proactieve consultatieve en liaisonpsychiatrie (CLP) in Vlaanderen: een droom of werkelijkheid?
Spreker(s):
Lemmens Gilbert, MD, PhD, Psychiater, UZ Gent, Gent

Achtergrond: De organisatie van de consultatie-liaisonpsychiatrie (CLP) in de algemene ziekenhuizen varieert aanzienlijk in Vlaanderen. Deze studie heeft tot doel de organisatie en mate van geïntegreerde en proactieve zorg van de CLP-diensten in kaart te brengen.

Methode: De diensthoofden van de psychiatrische afdeling of hoofdgeneesheren van de algemene ziekenhuizen werden via mail gevraagd voor deelname. Een online vragenlijst verzamelde informatie over de organisatie en werking van de CLP-diensten.

Resultaten: In totaal vulden 29 CLP-psychiaters van 52 algemene ziekenhuizen de vragenlijst in. In alle ziekenhuizen werd CLP uitgevoerd door een senior psychiater (100%), bijgestaan door een ASO psychiatrie in 14 ziekenhuizen (48,3%). In 86,2% van de ziekenhuizen bedroeg de tijd die de senior psychiater en de ASO psychiatrie aan CLP-diensten besteedden 0,5 FTE of minder voor elk van hen. Zeventien ziekenhuizen (58,6%) hadden een multidisciplinair CLP-team. In de meeste ziekenhuizen (97%) bedroeg de tijd tussen het verzoek en het consult minder dan 24 uur voor spoedeisende consulten en minder dan 72 uur voor reguliere consulten. Alle CLP-teams werkten gemiddeld samen aan drie screeningprotocollen of zorgtrajecten voor psychiatrische comorbiditeit. In 10 ziekenhuizen (34,5%) werd collaboratieve of geïntegreerde zorg opgezet.

Conclusie: Hoewel de Vlaamse CLP-diensten heterogeen blijven en over onvoldoende middelen beschikken, bieden ze een hoogwaardige, snel toegankelijke, multidisciplinaire CLP werking aan met groeiende aandacht voor proactieve en geïntegreerde zorg. 

Het zorgpad perinatale psychiatrie: een integratieve en proactieve aanpak
Spreker(s):
Van Damme Rita, MSc, Klinisch psycholoog, UZ Gent, Gent

“Achtergrond: Zwangerschap is een periode van verhoogde kwetsbaarheid voor mentale gezondheidsproblemen. Hoewel diverse psychosociale risicofactoren bekend zijn, verschilt hun voorspellende waarde sterk tussen populaties. Bestaande reviews focussen voornamelijk op postpartum depressie en zijn vaak narratief, wat de klinische toepasbaarheid beperkt. In een recente kwantitatieve umbrella review (in review) toonden wij aan dat slechts enkele psychosociale factoren consistent en robuust samenhangen met perinatale depressie, terwijl andere context-afhankelijk zijn. Het risico neemt bovendien cumulatief toe bij het gelijktijdig voorkomen van meerdere risicofactoren.

Methode: In de vrouwenkliniek van UZ Gent werd sinds 2018 een geïntegreerd perinataal zorgpad voor mentale gezondheid geïmplementeerd. Vroedvrouwen voerden bij 16 weken zwangerschap een psychosociale risicobeoordeling uit, gevolgd door screening op depressieve en angstklachten bij 20 weken zwangerschap en opnieuw op 6 weken postpartum. Bij verhoogd risico of positieve screening werd laagdrempelig doorverwezen naar een psycholoog of psychiater binnen een multidisciplinair perinataal team, geïntegreerd in dezelfde zorgsetting. Het zorgpad werd geëvalueerd via een pilootstudie en een opvolgende cohortstudie.

Resultaten: In de pilootstudie (n = 378) vertoonde 5,5% van de vrouwen antenatale depressieve symptomatologie. Positieve screening was geassocieerd met eerdere mentale gezondheidsproblemen, geweldservaringen, beperkte sociale steun en ongeplande zwangerschap, terwijl obstetrische factoren geen significante rol speelden. Het cumulatief voorkomen van psychosociale risicofactoren ging gepaard met een duidelijk verhoogd risico. Daarnaast zullen preliminaire resultaten van de lopende cohortstudie (n ≈ 1500) gepresenteerd worden. Conclusie: Een geïntegreerd en laagdrempelig perinataal zorgpad voor mentale gezondheidsproblemen binnen de routine zwangerschapszorg faciliteert vroegdetectie, tijdige doorverwijzing en continuïteit van perinatale mentale gezondheidszorg.”

De geriatrische- gedragsobservatie eenheid: een voorbeeld van een GPU in Vlaanderen
Spreker(s):
Nobels Anne, MD, PhD, Ouderen- en liaisonpsychiater, UZ Gent, Gent

Inleiding: Om tegemoet te komen aan de groeiende populatie ouderen met geriatrisch-psychiatrische comorbiditeit en complexe zorgnoden, werd in 2022 in het Universitair Ziekenhuis Gent een Geriatrisch-Psychiatrische Unit (GPU) opgericht. Deze unit behandelt jaarlijks ongeveer 120 tot 150 kwetsbare ouderen met acute gedragsveranderingen. De zorg voor deze patiënten is uitdagend en vereist specifieke expertise en vaardigheden, evenals teamondersteuning gezien de hoge emotionele belasting en morele stress. Het doel van deze studie is het exploreren van de perspectieven van zorgverleners op de uitdagingen en kansen bij het bieden van persoonsgerichte zorg aan GPU-patiënten.

Methode: Deze kwalitatieve studie hanteert een explorerend design en omvat vier semigestructureerde focusgroepen met acht tot tien zorgverleners die minstens één jaar werkzaam zijn binnen een GPU. De deelnemers bestaan uit verpleegkundigen, artsen (geriatrie en psychiatrie), psychologen, maatschappelijk werkers, ergotherapeuten en kinesitherapeuten. De data worden geanalyseerd via thematische analyse met ondersteuning van MaxQDA. Simultane onderzoekerstriangulatie wordt toegepast ter verhoging van de betrouwbaarheid.

Resultaten: De focusgroepgesprekken zullen plaatsvinden in februari/maart 2026. Preliminaire resultaten zullen worden gepresenteerd op het GGZ Congres.

Conclusie: Door het identificeren van de expertise, interventies en samenwerkingsvormen die essentieel zijn binnen een GPU, beoogt deze studie te verduidelijken hoe zorgverleners optimaal ondersteund kunnen worden in de zorg voor deze groeiende populatie kwetsbare ouderen. Daarnaast zullen de resultaten bijdragen aan het formuleren van aanbevelingen voor andere zorginstellingen die een GPU willen opzetten, met als doel de toegang tot gepaste zorg voor ouderen met geriatrisch-psychiatrische comorbiditeit te verbeteren.

Uitdagingen en mogelijkheden voor de implementatie van proactieve en geïntegreerde CLP: een somatisch verpleegkundig perspectief
Spreker(s):
Vandewiele Hanne, MSc, Verpleegkundig specialist, UZ Gent, Gent

Inleiding: Psychiatrische comorbiditeit komt frequent voor bij patiënten in algemene ziekenhuizen en vormt een uitdaging voor de somatische zorg. Verpleegkundigen op somatische afdelingen spelen een sleutelrol in het detecteren en opvolgen van mentale gezondheidsproblemen (MGP), maar hun ervaringen en percepties zijn tot op heden onderbelicht. Deze studie onderzoekt hoe verpleegkundigen de prevalentie en het management van MGP bij gehospitaliseerde patiënten percipiëren.

Methode: Tussen januari en april 2025 werd een online cross-sectionele survey uitgevoerd bij verpleegkundigen met direct patiëntcontact in het UZ Gent. Deelnemers werden gerekruteerd via nieuwsbrieven, e-mail en flyers met QR-codes. De verzamelde gegevens omvatten sociodemografische variabelen, vertrouwdheid met mentale aandoeningen (Level of Contact Report, LCR) en percepties over het werken met patiënten met MGP (Mental Health Problems Perception Questionnaire, MHPPQ). Ethische goedkeuring werd verkregen en geïnformeerde toestemming werd gegeven.

Resultaten: De preliminaire analyse omvatte 203 volledig ingevulde vragenlijsten (responsgraad 17%). De respondenten waren 92% vrouwen, gemiddelde 42 jaar en hadden gemiddeld 18 jaar verpleegkundige werkervaring. Verpleegkundigen schatten dat 33% van hun patiënten MGP had, 26% had dagelijks contact met patiënten met MPG. De vertrouwdheid met mentale aandoeningen was matig (gemiddelde LCR-score 7,7; bereik 1–12). Definitieve analyses zullen beschikbaar zijn op het congres.

Discussie: Verpleegkundigen worden frequent geconfronteerd met patiënten met zowel somatische als psychiatrische comorbiditeit. Hun matige vertrouwdheid en frequente blootstelling onderstrepen de nood aan gestructureerde ondersteuning en gerichte training om de detectie en het management van patiënten met MGP te verbeteren.

 

SYMPOSIUM – S05
Tussen machteloosheid en vertrouwen: handelingsruimte in de context van asiel en migratie
Voorzitter
: Vindevogel Sofie, Dr. in de pedagogische wetenschappen, Onderzoeker / Docent, Hogeschool Gent, Gent

Dit symposium richt zich op de complexe uitdagingen waarmee mensen op de vlucht en in een asielprocedure geconfronteerd worden en hoe die inspelen op ervaringen van machteloosheid. De asielcontext creëert bij uitstek een spanningsveld tussen onzekerheid en machteloosheid enerzijds, en vertrouwen in de toekomst en vernieuwde handelingsruimte anderzijds. Dat spanningsveld is niet enkel het gevolg van de gedwongen ‘limbo’ die de asielprocedure uitlokt, maar wordt ook dagdagelijks op relationele,  institutionele en structurele wijze beïnvloed. Dit raakt niet alleen mensen op de vlucht, maar ook vrijwilligers, hulpverleners en organisaties die met hen werken.

Dit symposium stelt ervaringen van machteloosheid centraal en beoogt deze vanuit verschillende perspectieven te erkennen, onderzoeken, en bevragen. De bijdrages uit onderzoek en praktijk belichten hoe machteloosheid ervaren wordt door mensen op de vlucht, door zorgverstrekkers, en door GGZ-actoren met wie ze in aanraking komen. Yasmine Boumahdi brengt het perspectief van verzoekers om internationale bescherming die in collectieve opvangcentra verblijven, en toont hoe onmacht zich opbouwt doorheen het asiel- en migratietraject, maar ook hoe op verschillende manieren wordt gezocht om hiermee om te gaan. Jürgen Magerman vertrekt vanuit het perspectief van hulpverleners en teams en verkent hoe het erkennen van machteloosheid net nieuwe handelingsperspectieven kan openen. Annelies Van Diest confronteert ons met ‘achteloosheid’ in de geestelijke gezondheidszorg, maar belicht ook tegenbewegingen die van onderuit ontstaan om het systeem in beweging te brengen. Afsluitend gaan Stijn Strauven en Fayez Alabbas in dialoog met elkaar en het publiek over ervaringen van machteloosheid in de collectieve opvangstructuur voor verzoekers om internationale bescherming. Voortbouwend op deze bijdragen, zal dit symposium ruimte creëren voor uitwisseling over hoe psychosociale omkadering en geestelijke gezondheidszorg kunnen worden geoptimaliseerd in deze context.

Onmacht: een rode draad in het leven van mensen op de vlucht
Spreker(s): Boumahdi  Yasmine, Master in de Psychologie, Onderzoeker / Psycholoog, Hogeschool Gent, Gent

 Onmacht is een gevoel dat diep verweven zit in het hele asiel- en migratietraject. Het begint al voor vertrek, wanneer mensen gedwongen worden hun land van herkomst te verlaten, vaak zonder enige controle over de omstandigheden. Tijdens de vlucht en bij aankomst in een nieuw land worden mensen opnieuw geconfronteerd met structuren en instituties die hun huidige leven en toekomst bepalen zonder dat zij daar zelf actief invloed op hebben. Deze voortdurende ervaring van machteloosheid laat sporen na, zowel psychisch als sociaal. In het TOPPSY-onderzoek spraken we met bewoners van opvangcentra over hun ervaringen. Hun verhalen geven een beeld van hoe gevoelens van onmacht ontstaan, wat deze versterkt of juist verzacht, en hoe mensen hiermee proberen omgaan. Welke strategieën ontwikkelen zij zelf? En wat verwachten zij van hulpverleners en het systeem?

Onmacht in teams die werken in een context van structureel ingebedde onzekerheid
Spreker(s): Magerman Jürgen, Master in de Verpleegkunde, Onderzoeker, Hogeschool Gent, Gent

Onmacht wordt niet alleen ervaren door bewoners maar ook door hulpverleners. Onmacht staat niet los van een systeemcontext die inzet op maakbaarheid, controle en verantwoordelijkheid. Deze bijdrage vertrekt vanuit de stelling dat machteloosheid een gevoel is en geen feitelijkheid, waardoor rationele probleemoplossing vaak tekortschiet. Het herkennen en erkennen van machteloosheid vraagt reflectie: hulpverleners maken immers snel aannames op basis van eigen emoties en denkpatronen. Machteloosheid kan leiden tot disproportioneel machtsgebruik, teamdruk en groepsnormalisatie, en kan zich vertalen in een spiraal waarbij de onmacht van de hulpverlener de bewoner verder machteloos maakt. Daarom schuiven we een alternatief handelingsperspectief naar voren: niet alles “fixen”, maar onzekerheid en open einde kunnen uithouden, grenzen van eigen kunnen erkennen, hoopvol aanwezig blijven en betekenisvol blijven ondanks het niet-kunnen-oplossen. Zelfreflectiviteit maar ook intervisie vormt hierbij een cruciale praktijk: een veilige ruimte om machteloosheid te delen, patronen te herkennen, draagkracht te versterken en ethisch te blijven balanceren tussen redden en beheersen. Zo ondersteunt intervisie veerkracht, relationele zorg en duurzame teamwerking in contexten van structureel ingebedde onzekerheid.

 ‘Achteloos’ is een stille vorm van machtelooshei
Spreker(s): Van Diest Annelies, Master in de psychologie, Klinisch Psycholoog, Psychiatrisch Centrum Gent – Sleidinge, Gent

‘Achteloos’ is een stille vorm van machteloosheid. Zo kijkt de GGZ de voorbije jaren te vaak naar mensen met een migratieachtergrond die de taal onvoldoende beheersen. We kijken toe. We zien hoe zij hun weg naar opname en passende zorg meestal niet vinden — vastlopend op taalbarrières, administratieve drempels, ondoorzichtige procedures. Achteloos betekent: zonder erbij stil te staan, gedachteloos. Maar precies daarin schuilt de machteloosheid die velen van ons voelen. Machteloosheid omdat we binnen de GGZ te vaak de moed niet vinden, de krachten niet bundelen, om daadwerkelijk zorg op te nemen voor deze mensen. Alsof het systeem verlamd raakt nog vóór het in beweging komt. En toch zijn er kansen. Hier en daar ontstaan er kleine initiatieven. Projecten die wél zien, wél luisteren, wél handelen. Initiatieven die, ondanks alles, hun weg vinden in het hulpverleningslandschap — en die bewijzen dat het anders kan.

In dialoog over ervaringen van machteloosheid in de opvangcontext voor verzoekers om internationale bescherming
Spreker(s): Stijn Strauven, Fayez Alabbas, Sociaal deskundige, Ervaringswerker, Fedasil & Hogeschool Gent, Gent

Vanuit hun respectievelijke rol als sociaal deskundige bij Fedasil en onderzoeker met ervaringskennis in asiel en migratie, gaan Stijn Strauven en Fayez Alabbas in gesprek met elkaar en het publiek over ervaringen van machteloosheid in de context van het opvangnetwerk voor verzoekers om internationale bescherming. Ze reflecteren op de bevindingen die de voorgaande presentaties naar voor brachten, en verdiepen deze inzichten aan de hand van vragen van de moderator en het publiek.

 

SYMPOSIUM – S06
Integrale ondersteuning voor personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische aandoeningen: verknoping van VAPH- en GGZ-hulpverlening
Voorzitter: De Maesschalck Evelien, Klinisch orthopedagoog, Wetenschappelijk medewerker, Universiteit Gent, Gent

De pilootprojecten ‘Dwarshoudt’ (Vlaams-Brabant en Brussel) en ‘het Verknopingsnetwerk’ (Antwerpen) ontstonden n.a.l.v. een oproep van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Beide projecten hebben als doel een passend en effectief ondersteuningsmodel te ontwikkelen voor personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische aandoeningen. Hiervoor ontvangen zij extra middelen om expertise uit de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg en de sector voor personen met een verstandelijke beperking te verbinden voor een termijn van maximaal 4 jaar.

De initiatieven ondersteunen personen met een verstandelijke beperking en complexe psychiatrische aandoeningen, zoals hechtingsproblemen, trauma, pervasieve ontwikkelingsstoornissen, enzovoort. Dwarshoudt is een gespecialiseerde eenheid op een psychiatrisch ziekenhuiscampus waar cliënten verblijven en begeleid worden door een multidisciplinair team uit VAPH en GGZ. De opname is tijdelijk en gericht op doorstroom naar een minder intensief regulier ondersteuningsaanbod. Het Verknopingsnetwerk is een samenwerkingsverband van organisaties uit VAPH en GGZ die trajecten op maat uitwerken, in overleg met de cliënt, diens netwerk en betrokken hulpverleningsteams, met als doel opnamevertragend te werken en zorgcontinuïteit te versterken.

Tijdens het symposium lichten beide pilootprojecten hun werking toe. Daarnaast presenteren onderzoekers van UGent en HOGENT een synthese van de wetenschappelijke kennis over deze doelgroep, op basis van hun opvolging van de projecten in opdracht van SWVG.

Wetenschappelijke kennis en inspirerende praktijken
Spreker(s): De Maesschalck Evelien, Klinisch orthopedagoog, Wetenschappelijk medewerker, Universiteit Gent, Gent

Op basis van een literatuurstudie en consultatie van (inter)nationale experten wordt een overzicht gepresenteerd van inzichten en inspirerende praktijken m.b.t. de ondersteuning van personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische aandoeningen. Daarbij ligt de focus op effectieve behandel- en ondersteuningsmodellen op micro-, meso- en macroniveau, zoals het IDD-paradigma van gedeeld burgerschap (Schalock et al., 2022).

Voorlopige resultaten benadrukken de meerwaarde van een continuüm van zorg voor personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische aandoeningen, gaande van residentiële voorzieningen tot gemeenschapsgerichte benaderingen. In Noorwegen worden bijvoorbeeld drie vormen van ‘verbinding’ onderscheiden: (1) gespecialiseerde eenheden, (2) formele samenwerkingsakkoorden tussen diensten binnen ziekenhuizen, en (3) op maat gemaakte zorgtrajecten binnen ziekenhuizen (Karlsen et al., 2024). Een aantal voorbeelden evenals een overzicht van bevindingen uit de literatuur worden tijdens de sessie gepresenteerd.

Karlsen, K., Munkhaugen, E. K., Fossum, H. K., Bakken, T. L. & Kidahl, A. N. in Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities (2024). Mental Health Services for Adults With Intellectual Disabilities: A Qualitative Study of Patient Characteristics, Associated Factors and Consequent Needs for Adaptation in Assessment and Treatment. Volume 38(1), 14 bladzijden.

Schalock, R. L., Luckasson, R., Tassé, M. J. & Shogren, K. A. in Intellectual and Developmental Disabilities. The IDD Paradigm of Shared Citizenship: Its Operationalization, Application, Evaluation, and Shaping for the Future. Volume 60(5), pagina’s 426-443.

Eventuele opmerkingen: Mede-onderzoekers: Sara Rowaert (UGent), Wouter Vanderplasschen (UGent), Stijn Vandevelde (UGent), Claudia Claes (HOGENT/UGent) en Filip Morisse (HOGENT)

Voorstelling project Vlaams-Brabant & Brussel: Dwarshoudt (Zonnelied vzw Roosdaal & Zorggroep Sint-Kamillus Bierbeek)
Spreker(s): De Vleminck Jens, PhD, Projectmanager transversale zorg, Zonnelied Roosdaal, Roosdaal

Het doel van Dwarshoudt is om toe te werken naar functioneel herstel door handicap-specifieke expertise te integreren met expertise uit de geestelijke gezondheidszorg. Het beoogde herstel gaat verder dan louter medisch of klinisch herstel. Functioneel herstel omvat ook psychologische, emotionele en sociale dimensies, waarbij verschillende levensdomeinen systematisch in kaart worden gebracht en de focus ligt op het verbeteren van de kwaliteit van leven binnen deze domeinen. Daarbij wordt expliciet verder gekeken dan symptomen of diagnostiek en onderzocht welke betekenisvolle rollen een persoon (opnieuw) kan opnemen.

Het samenleven met anderen, het (orthopedagogisch) leefklimaat, maakt ook expliciet onderdeel uit van het therapeutisch aanbod. Het leefklimaat fungeert als een kader dat houvast, voorspelbaarheid en veiligheid biedt aan cliënten. Het wordt doelgericht ingezet als een socio-therapeutisch medium, of holding environment, dat het (opnieuw) mogelijk maakt om samen te leven, relaties aan te gaan en zich te verhouden tot anderen.

Voorstelling Project Antwerpen: Het Verknopingsnetwerk (De Vijver, Ondo, Albe, Clara Fey en Zorggroep Multiversum)
Spreker(s): Van De Vijver Steven, Klinisch orthopedagoog, Klinisch orthopedagoog, De Vijver, Antwerpen

Het Verknopingsnetwerk vertrekt vanuit de veronderstelling dat, net zoals elke persoon uniek is, ook elk ondersteuningsprogramma maatwerk vereist. Een tweede fundamenteel uitgangspunt is dat in de ondersteuning van personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische aandoeningen net zoveel aandacht moet uitgaan naar de mensen en teams die deze cliënt ondersteunen. Door deze zorg gezamenlijk te organiseren binnen een netwerk van partners, beoogt het Verknopingsnetwerk zowel de kwaliteit van leven van de persoon en diens omgeving te versterken als de continuïteit van zorg te waarborgen.

In deze bijdrage beschrijven wij hoe het netwerk werd opgezet en delen wij onze eerste ervaringen met het uitbouwen van geïndividualiseerde, ‘gedeelde’ ondersteuningsprogramma’s. Daarbij wordt expliciet gebruikgemaakt van de sterktes en expertise uit zowel de geestelijke gezondheidszorg als de zorg voor personen met een handicap.

 

SYMPOSIUM – S07
Bruggen bouwen met familie: Kansen en uitdagingen in de Forensische Geestelijke Gezondheidszorg
Voorzitter: Rowaert Sara, Doctor in de Pedagogische Wetenschappen, Wetenschappelijk onderzoeker, Psychiatrisch Centrum Sint-Jan-Baptist, Zelzate

De afgelopen jaren zijn er zowel binnen het wetenschappelijk onderzoek als in de praktijk belangrijke inspanningen geleverd om familiebetrokkenheid in de forensische geestelijke gezondheidszorg te verhogen. Deze groeiende aandacht erkent de cruciale rol en meerwaarde van familie in het zorgproces. Verschillende initiatieven richten zich enerzijds op het vergroten van de kennis en vaardigheden van professionals rond familiegericht werken, en anderzijds op het ondersteunen, informeren en vertegenwoordigen van familieleden zelf.

Tijdens dit symposium staan drie presentaties centraal. Eerst worden de resultaten gepresenteerd van een survey-studie waarin de Familiereflex Quickscan werd afgenomen bij professionals in de FGGZ, met als doel het familiebeleid binnen hun organisaties in kaart te brengen. Vervolgens wordt een interventie toegelicht: de Familieondersteunende Groepen, een aanbod dat zowel fysiek als online wordt georganiseerd en waarin familieleden ondersteuning en informatie vinden. Tot slot deelt de werkgroep internering van Similes haar ervaringen en licht toe hoe zij proberen in te spelen op drempels en knelpunten die familieleden in de praktijk ervaren.

Aan de hand van deze voorbeelden willen we de dialoog stimuleren over initiatieven en interventies die familiebetrokkenheid versterken, en deelnemers inspireren om gelijkaardige praktijken te implementeren of verder te ontwikkelen binnen hun eigen organisatie.

Reflecteren op familiebetrokkenheid in de forensische geestelijke gezondheidszorg: inzichten vanuit de Familiereflex Quickscan
Spreker(s): Van Lierde Elke, Doctor, Wetenschappelijk medewerker, Familieplatform, Berchem

Familieleden en andere naastbetrokkenen spelen een cruciale rol in het herstel van forensische zorggebruikers, maar ervaren vaak dat zij onvoldoende worden betrokken in het zorgtraject. Om professionals te ondersteunen bij het kritisch reflecteren op hun familiegericht handelen, ontwikkelde Familieplatform in Vlaanderen de Familiereflex Quickscan. Deze tool helpt sterktes en blinde vlekken te identificeren binnen vijf domeinen: families als partner in de zorg, aandacht voor kinderen en jongeren als naasten, en het bejegenen, informeren en ondersteunen van familieleden.

In een recente internationale survey werd de Vlaamse tool vertaald naar het Engels en Frans en toegepast om inzicht te krijgen in hoe forensische zorgprofessionals wereldwijd samenwerken met families in de forensische geestelijke gezondheidszorg. De survey liep van juni tot december 2025 en bereikte deelnemers uit onder meer België, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Nederland, de Verenigde Staten en Australië.

De voorlopige resultaten tonen dat professionals het belang van familiebetrokkenheid breed erkennen. Informatie-uitwisseling naar zowel families als zorggebruikers is al relatief ingeburgerd. De aandacht voor kinderen binnen families blijft echter beperkt: het informeren van kinderen gebeurt zelden tot slechts sporadisch. Dit wijst op een belangrijk aandachtspunt voor verdere ontwikkeling van familiegericht werken binnen de forensische context.

Deze presentatie bespreekt de resultaten van de survey en benadrukt de nood aan gerichte strategieën om familiegericht werken verder te versterken binnen het Vlaamse forensische GGZ-landschap. Het structureel inzetten van reflectietools zoals de Familereflex Quickscan kan bijdragen aan meer betekenisvolle partnerschappen tussen professionals, zorggebruikers en hun families, en zo het herstelproces ondersteunen.

Eventuele opmerkingen: Mede-auteurs zijn: Sara Rowaert; Ellen Boldrup Tingleff; Margaret Doherty; Jean-Laurent Domingue; Jason Davies; Kim Steeman; & Gilbert Lemmens

Ondersteunen van familieleden in de forensische geestelijke gezondheidszorg: Vergelijken van in-persoon en online Familieondersteunende Groepen (FOG)
Spreker(s): Rowaert Sara, Doctor, Wetenschappelijk onderzoeker, Psychiatrisch Centrum Sint-Jan-Baptist, Zelzate

Binnen de forensische geestelijke gezondheidszorg (FGGZ) in Vlaanderen, en specifiek in PC Sint-Jan-Baptist, worden twee vormen van Familieondersteunende Groepen (FOG) aangeboden: in-persoon groepssessies en online sessies via MS Teams met als doel familieleden van forensische zorggebruikers te ondersteunen in het omgaan met emotionele uitdagingen. Online deelname verlaagt drempels zoals tijd, afstand en mobiliteit, en maakt deelname vanuit de vertrouwde thuisomgeving mogelijk.

Deze studie onderzocht de impact van FOG’s op het welzijn van families, vergeleek in-persoon en online formats en verkende hoe digitale toepassingen familiebetrokkenheid en herstelgericht werken kunnen versterken. De interventie volgt een vast protocol en omvat vier sessies verspreid over drie maanden. Het onderzoek hanteert een mixed-method design: kwantitatieve vragenlijsten voor en na de interventie; kwalitatieve interviews geven inzicht in verwachtingen en ervaringen. Daarnaast wordt na elke sessie een procesevaluatie afgenomen gericht op therapeutische factoren.

Tussen 2023 en 2025 werden twee FOG’s georganiseerd, één in-persoon en één online. De resultaten tonen dat beide formats vergelijkbare therapeutische voordelen bieden, zoals ervaren groepscohesie, acceptatie en vertrouwen in therapeuten. Zowel online als in-persoon deelnemers rapporteren verbeteringen in welzijn en veerkracht, terwijl het online format extra voordelen biedt op het vlak van flexibiliteit en toegankelijkheid.

De bevindingen wijzen erop dat digitale familiepsychotherapie even effectief is als in-persoon sessies en dat een hybride aanpak veel potentieel heeft om de FGGZ familievriendelijker te maken.

Eventuele opmerkingen: Mede-auteurs zijn: Femke Hanssens, Sofie Van der Meersche & Leen Cappon

De ervaringen van de werkgroep internering vanuit Similes
Spreker(s): Beelen Lien, Master, Projectmedewerker internering en familievertegenwoordiging, Similes, Heverlee

In deze sessie lichten we de werkgroep internering vanuit Similes toe. Eerst wordt een overzicht gegeven van het doel van deze werkgroep, de aanpak, de doelgroep, de meerwaarde en de ontstaansgeschiedenis. De werkgroep internering engageert zich om op basis van eigen ervaringen en frustraties met gerichte initiatieven naasten van personen met een interneringsstatuut te steunen, adviseren, informeren en te vertegenwoordigen.

Vervolgens licht deze sessie toe hoe de werkgroep internering een antwoord probeert te bieden op drempels en knelpunten waar familie op botst tijdens het interneringstraject. Vaak gehoorde knelpunten zijn onder andere: een gebrek aan informatie, het gevoel niet gehoord te worden en een gebrek aan transparante communicatie bij belangrijke beslissingsmomenten (bv. rond de eerste KBM-zitting, uitgaansvergunningen of invrijheidstelling op proef). Aan de hand van infomomenten komt de werkgroep tegemoet aan de nood aan informatie. Voor het organiseren hiervan probeert de werkgroep zoveel mogelijk aansluiting te vinden met andere partners binnen de forensische GGZ. Door aan familievertegenwoordiging in de netwerken internering te doen, streeft de werkgroep naar meer familiebetrokkenheid in de forensische zorg. Middels lotgenotencontacten spant de werkgroep zich in om familie van personen met een interneringsstatuut te bejegenen en ondersteunen.

Tot slot geeft deze sessie enkele aanbevelingen mee over hoe een interneringstraject familievriendelijker kan zijn door familie te zien, warm te onthalen, te ondersteunen, te betrekken en te informeren.

Eventuele opmerkingen: Mede sprekers zijn: Gillaine Roelandt, Maud Decavel, Dirk De Caluwé en Ann Artois

 

SYMPOSIUM – S08
Dragende zorg in tijden van efficiëntie
Voorzitter
: Joos Lucas, arts specialist, Psychiater, PC Bethanië, Sint-Antonius, Zoersel

We leven in tijden waarin efficiënt werken en oplossingsgericht denken steeds meer onze zorg binnen sluipen. Doelgericht en kortdurend behandelen/begeleiden wordt steeds hoger in het vaandel gedragen.

De inzet van middelen wordt daaraan afgemeten: wat er met centen gebeurt wordt gecontroleerd op de effectieve en doelmatige inzet ervan. Inspecties en controles worden op zorg en onderwijs losgelaten: minimumdoelen en leerplannen in het onderwijs moeten worden behaald, vele registraties en protocollen (suïcide, agressie…) dienen in de gezondheidszorg ingevuld en opgevolgd te worden. Daarbij wordt gestreefd naar kwaliteit en uniformiteit.

Dit lijkt ver weg te staan van het good enough dat zo essentieel is in de onmogelijke taken van opvoeden en behandelen…Hoe kunnen we in de zorg en het onderwijs blijven staan in een kwetsbare, niet wetende, niet alles oplossende positie? Hoe kunnen we ruimte creëren voor het individuele, het afwijkende laten bestaan? Hoe kunnen we vanuit betekenisvolle intuïtie, creativiteit en warme zorgzaamheid iets langdurig dragends blijven bieden aan de meest kwetsbaren onder ons? Op welke manier kan dat overgebracht worden aan jonge mensen ?

In dit symposium wordt de paradox tussen wat ertoe doet en wat er wordt geregistreerd/gecontroleerd belicht vanuit verschillende perspectieven binnen de langdurige zorg en het onderwijs. Het wil een pleidooi zijn voor een humane, dragende, duurzame zorg in tijden van efficiëntie.

Dragende langdurige zorg in een PVT : wetenschappelijk onderzoek en praktijkervaring
Spreker(s):
Verbeke Evi, Professor, psycholoog PVT Wadi, PVT Wadi, UGent, Merelbeke-Melle

In deze lezing zal vanuit wetenschappelijk onderzoek en praktijkervaring stil gestaan worden bij het idee ‘dragende, langdurige zorg’. Waarom is het belangrijk dat er plaatsen zijn waar mensen lange tijd terecht kunnen, waarom hameren zo veel analyses op het belang van continuïteit in zorg? In deze lezing staan we stil bij de verschillende vormen waarin dat kan gebeuren (opnames, woonprojecten, ontmoetingshuizen, ambulante zorg…) en bij de reden waarom dragende zorg soms moeilijk te dragen is voor hulpverleners door de machteloosheid die inherent met het werk gepaard gaat. Om hiermee om te gaan, is het cruciaal om in te zetten op een visie en cultuur waarin onzekerheid niet wordt bekampt, maar een centrale plaats krijgt in het denken, via ethische reflectie over het werk.

De nood aan een andere logica in de zorg rond het onoplosbare
Spreker(s):
Rimaux Eva, klinisch psycholoog, Directrice Albe vzw Kapellen, Albe vzw, Kapellen

Een tweede bijdrage vertrekt vanuit de werking van Albe, een residentiële setting voor mensen met een mentale beperking en bijkomende psychiatrische problematiek, waar het werk van bij aanvang in het teken van het onoplosbare staat. De mensen die er verblijven worden niet “beter” in de klassieke zin van het woord: klachten verdwijnen niet, trajecten kennen geen lineair verloop en perspectieven blijven vaak fragiel. Zorg vertrekt niet vanuit het oplossen van problemen, maar vanuit het uithouden van een blijvende aanwezigheid. We vertrekken vanuit de vraag hoe machteloosheid, in confrontatie met het onoplosbare, niet zozeer een probleem is dat moet worden weggewerkt, maar een gegeven dat gedragen kan worden. Zo ontstaat ruimte voor een andere logica: een zorg die niet primair gericht is op verandering, maar op ontmoeting, aanwezigheid, het verdragen van onzekerheid. A.d.h.v. de praktijk wordt besproken hoe een institutioneel kader dit mogelijk maakt, via collectieve werkvormen, gedeelde verantwoordelijkheid, aandacht voor het dagelijkse leven. Zo wordt machteloosheid opgenomen in een gezamenlijk proces. Deze benadering verschuift het perspectief van vooruitgang naar blijven staan: volhouden van aanwezigheid waar oplossingen uitblijven.

Langdurige zorg in een psychiatrisch ziekenhuis : een kwestie van tijd en omwegen
Spreker(s):
Voorspoels Isabelle, klinisch psycholoog, Psycholoog afdeling Vallei , Bethanië, PC Bethanië, Zoersel, Sint-Antonius, Zoersel

Een derde bijdrage start vanuit het dagelijkse leven van de Vallei, een open afdeling binnen de langdurige zorg van het ziekenhuis PC Bethanië in Zoersel waar mensen met een aanhoudende psychotische problematiek langdurig (van enkele maanden tot ettelijke jaren) kunnen verblijven. Eigen aan deze mensen is dat ze veelvuldig hebben geprobeerd, gebotst, gefaald, opnieuw geprobeerd…maar ergens in het vanzelfsprekende van het leven vast zijn komen te zitten. In deze bijdrage proberen we de kliniek in al zijn complexiteit en nuances te laten spreken. Via fragmenten uit het alledaagse laten we zowel het belang van tijd nemen, (af)wachten, ambiance creëren en omwegen maken als de noodzaak van out of the box denken en weloverwogen risico’s nemen klinken. Alleen zo kunnen er trage, subtiele maar noodzakelijke bewegingen ontstaan die vastgekomen levens stilaan maar zeker helpen te verschuiven. Steeds précair en tijdelijk. Een dergelijk werk vereist moed en vertrouwen, van zowel hulpverlener als patiënt, gezamenlijk.

De ondraaglijke lichtheid van de leerfabriek
Spreker(s):
De Meulder Bert, pedagoog en psychoanalytisch psychotherapeut, lector aan de bacheloropleiding orthopedagogie van de AP Hogeschool te Antwerpen, AP Hogeschool, Antwerpen

Is de school nog wel een school, of meer en meer een leerfabriek? De oorspronkelijke filosofische idee van een school is volgens pedagoog Masschelein te vinden in het Griekse Scholé: dat verwijst naar vrije tijd, een ruimte afgezonderd van de politiek of het economische, waar men nog niet moet besturen of moet bijdragen aan het huishouden of de oikos, … Dit idee van onderwijs als vrijplaats ligt de laatste decennia op een specifieke manier onder druk. Er bestaat steeds minder ruimte voor ‘leegte’, en er kan dus ook zelden nog iets gebeuren. De taal die op een hogeschool vanuit het beleid gesproken wordt is die van een leerfabriek waar de student als één van de stakeholders van het leerproces naar een goed professioneel netwerk toe gecoached en gemanaged wordt. De focus op competenties en persoonlijke ontwikkelingsplannen maakt van reflectie minder een kritisch denken, maar eerder een manier om vooral persoonlijke individuele tekorten in het functioneren zo snel mogelijk weg te werken. Verdragen pas opgeleide zorgverleners de onvolwassenheid van diegene die niet ondernemend mee kan in de samenleving, en bij uitbreiding zich niet ‘ondernemend’ kan opstellen in de zorg? Hoe leert de bachelor verpleger of de orthopedagoog om te gaan met het onverdraaglijke? Hoe verstaan we modewoorden als empowerment en inclusie, als we naar onszelf kijken als ondernemende verantwoordelijke individuen met toch steeds weer die eigen regie? De taal van de prutser, het onvolwassene, het menselijk feilbare, heeft de hulpeverlener van de toekomst daar nog woorden voor?

 

SYMPOSIUM – S09
Evaluatie van de beslissingsbekwaamheid bij psychiatrische en somatische multimorbiditeit
Voorzitter
: Van Den Eede Filip, Psychiater, PhD, Psychiater en hoogleraar, UZA/UA, Edegem

De aanpak en het beleid in complexe situaties waarin patiënten psychiatrische en somatische multimorbiditeit tonen en de noodzakelijke zorg weigeren kan gepaard gaan met stress, vertwijfeling en machteloosheid bij de hulpverlener, temeer omdat de betreffende wetgeving en regelgeving niet steeds een houvast biedt in de praktijk.  Bij de patiënt kan een dergelijke situatie dan weer gepaard gaan met ongenoegen en onbegrip, vanuit het principe van de autonomie en het recht op zelfbepaling, die overigens ook de rode draad vormen in de wet over de rechten van de patiënt.

Men dient dergelijke toestanden en situaties op een grondige en multidisciplinaire wijze  te beoordelen en in kaart te brengen, vanuit een gepersonaliseerd en biopsychosociaal perspectief, met ook aandacht voor de existentiële, ethische en juridische aspecten.  De evaluatie van de beslissingsbekwaamheid vormt hierbij vaak een centraal gegeven. In dit symposium wordt dit thema vanuit verschillende perspectieven en aan de hand van concrete casuïstiek toegelicht en besproken, met ook ruimte voor vragen en voor een interactieve discussie.

Algemene inleiding en situering
Spreker(s):
Van Den Eede Filip, Psychiater, PhD, Psychiater en hoogleraar; voorzitter sectie CLP VVP, Psychiatrie UZA / CAPRI FGGW UA, Edegem

De aanpak en het beleid in complexe situaties waarin patiënten psychiatrische en somatische multimorbiditeit tonen en de noodzakelijke zorg weigeren kan gepaard gaan met stress, vertwijfeling en machteloosheid bij de hulpverlener, temeer omdat de betreffende wetgeving en regelgeving niet steeds een houvast biedt. Bij de patiënt kunnen dergelijke situaties dan weer gepaard gaan met ongenoegen en onbegrip, vanuit het principe van de autonomie en het recht op zelfbepaling, die overigens ook de rode draad vormen in de wet over de rechten van de patiënt. In de in de klinische praktijk dient men als zorgverlener soms tevreden te zijn met “goed genoeg”, vanuit het ethisch principe “het beste doen” en in het belang van de gezondheid en het welzijn van de patiënt. In deze inleiding zal het thema van dit symposium en de betreffende dilemma’s kort toegelicht worden aan de hand van concrete casuïstiek uit acute en minder acute zorgcontexten.

Zorgweigering, beslissingsbekwaamheid en dwangbehandeling in de liaisonpsychiatrie
Spreker(s):
Vandenberghe Joris, Psychiater – psychotherapeut, PhD, Psychiater – psychotherapeut en professor, UZ Leuven – UPC KU Leuven / KU Leuven, Leuven

Vertrekkende van een liaisonpsychiatrische casus exploreren we de concepten beslissingsbekwaamheid, dwangbehandeling en het onderscheid tussen weigering en verzet. We kaderen dit in een juridisch, deontologisch en ethisch kader en in de bredere internationale evoluties, zoals de evolutie van het overnemen van de besluitvorming (substitute decison making) naar maximale ondersteunde besluitvorming (supported decision making). Tot slot koppelen we terug naar de klinische praktijk en tonen aan dat zelfs als interventies onder dwang juridisch en ethisch gerechtvaardigd zijn, deze interventies in de klinische praktijk vaak niet haalbaar zijn zonder coöperatie. Bij aanhoudend verzet blijven we zo ook bij beslissingskbekwaamheid aangewezen op onderhandelen, zoeken van ingangspoorten en compromissen.

De evaluatie van beslissingsbekwaamheid: een zorgethische benadering
Spreker(s):
Liégeois Axel, PhD, zorgethicus, emeritus hoogleraar met opdracht, KU Leuven, Leuven

We gaan uit van een casus over zorgweigering van een patiënt met een ernstige psychiatrische aandoening in een levensbedreigende situatie. Die casus roept de vraag op in hoeverre de patiënt voldoende bekwaam is om levensreddende zorg te weigeren. Vanuit de zorgethiek bieden we een handreiking voor het evalueren van beslissings-bekwaamheid. Eerst formuleren we tien criteria: het begrijpen van informatie en het verwerven van inzicht; het zoeken en overwegen van mogelijke opties; het inschatten van de gevolgen voor zichzelf en voor anderen; en het op een invoelbare en begrijpelijke manier motiveren van de keuze, zonder dwingende invloeden van binnenuit of van buitenaf, en op basis van eigen doelen en waarden.

Vervolgens reiken we een werkwijze voor de evaluatie aan: de verschillende betrokken partijen evalueren de tien criteria zowel individueel als gezamenlijk, waarna ze een globale evaluatie maken van de bekwaamheid, specifiek gericht op de voorliggende beslissing. Wanneer aan een criterium onvoldoende wordt voldaan, gaan ze na welke vormen van ondersteuning mogelijk zijn, zodat de patiënt alsnog aan dat criterium kan voldoen.

Ten slotte keren we terug naar de casus en proberen we tot verdere verheldering te komen.

Inschatting van wilsbekwaamheid in de klinische praktijk: perspectief van de psychiater bij behandelingsweigering in spoedpsychiatrische setting
Spreker(s):
Demoerloose, Stefanie, psychiater, psychiater, Dienst psychiatrie AZ Groeninge, Kortrijk
Er wordt dieper ingegaan op de inschatting van wilsbekwaamheid door psychiaters in de klinische praktijk. Hierbij wordt vertrokken vanuit een kwalitatief onderzoek waarbij acht psychiaters werden geïnterviewd. Het beslissingsproces omtrent de inschatting van wilsbekwaamheid bij behandelingsweigering door een meerderjarige patiënt in spoedpsychiatrische setting werd hierbij onder de loep genomen, dit met een fictieve casus als leidraad. Verwerking van de interviews gebeurde aan de hand van thematische analyse.De volgende topics worden toegelicht aan de hand van een integratie van de literatuur en de hierboven vermeldde interviews: de voor- en nadelen van de expliciete inschatting van wilsbekwaamheid, de kritieken op de huidige criteria voor de inschatting van wilsbekwaamheid, de potentiële parameters voor wilsonbekwaamheid alsook de brug van de inschatting van wilsbekwaamheid naar de inschatting van de nodig zorg. Bij de laatste topic wordt een koppeling gemaakt naar het wettelijk kader.

 

SYMPOSIUM – S10
Technologie in de Vlaamse GGZ: over innovatie en duurzaam gebruik
Voorzitter: Van Daele Tom, PhD, onderzoeksleider psychologie en technologie, Onderzoeksgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool, Antwerpen

Digitale technologieën worden steeds vaker ingezet in de GGZ, gaande van AI-ondersteunde diagnostiek tot apps voor zelfhulp en monitoring. De uitdagingen die daarbij komen kijken zijn niet enkel technisch van aard, maar in toenemende mate ook praktisch en inhoudelijk. Hoe ziet doordachte en verantwoorde inzet van technologie eruit die ook echt meerwaarde realiseert? En wat zijn essentiële randvoorwaarden? Dit symposium bundelt vijf bijdrages die aantonen hoe praktijkgericht onderzoek probeert om een antwoord te bieden op deze vragen.

Eerst focussen we op een aantal recente ontwikkelingen met praktijkpotentieel op korte termijn. Eerst wordt er ingegaan op artificiële intelligentie en conversationele systemen om hulpverleners te ondersteunen, vervolgens wordt toegelicht hoe een combinatie van psychofysiologie en contextgevoelige zelfrapportage kan worden ingezet voor stressmonitoring in het dagelijks leven.

Vervolgens wordt er ingegaan op hoe toegang tot kwalitatieve oplossingen kan worden versterkt. De evaluatie van onlinehulp-apps.be toont hoe een doorgedreven screening en promotie van kwalitatieve tools een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de mogelijke meerwaarde van digitale technologie in de praktijk.

Ten slotte focussen twee bijdragen op de nood aan structurele verankering. Het Vlaams kwaliteitskader voor digitale zorg biedt criteria voor verantwoord gebruik, terwijl het CoMMA-procesmodel digitale toepassingen situeert binnen bredere zorgtrajecten.

To use AI or not to use AI? Toepassingen voor de GGZ
Spreker(s): Bernaerts, Sylvie, PhD, onderzoeker psychologie en technologie, Onderzoekgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool, Antwerpen   

Sinds enkele jaren komt artificiële intelligentie (AI) steeds nadrukkelijker op de voorgrond. In populaire media lezen we zowel verhalen over de gevaren van AI-chatbots als adviezen om je werk efficiënter uit te voeren. Veel AI-toepassingen lijken hun weg dan ook al gevonden te hebben naar het grote publiek. Heeft AI echter ook (al) een plaats in de geestelijke gezondheidszorg? Hoe kan AI ingezet worden door de GGZ-professional? Steeds meer onderzoek lijkt het potentieel van AI-toepassingen voor diagnose, monitoring en interventie te bevestigen. Zo kunnen AI-ondersteunde diagnostische tools helpen bij vroegdetectie en keuze van behandeling; kunnen patiënten continu en van op afstand gemonitord worden m.b.v. AI; en kan AI de behandeling ondersteunen via interventies op maat of een aanbod tussen behandelsessies. Daarnaast onderzoeken we zelf hoe conversationele AI, specifiek chatbots, hulpverleners kunnen ondersteunen bij vooraanmelding, tijdens chathulpverlening, als een trainingstool en als een informatie-assistent. Welke toepassingen zijn echter al bruikbaar in de praktijk en welke mogen (nog) niet ingezet worden? Deze sessie overloopt de wetenschappelijke evidentie en biedt enkele concrete voorbeelden voor de praktijk.

Eventuele opmerkingen: Co-auteurs: Tom Van Daele (Onderzoeksgroep Mens en Welzijnb, Expertisecentrum Zorg & Welzijn, Thomas More-hogeschool); Tim Vanhove, Tom Seymoens, Jana Verplancke (Mens, Samenleving en Digitalisering, Arteveldehogeschool); George Caique Gouveia Barbosa, Dieter De Witte (IDLab, UGent)

Stressmonitoring in het dagelijks leven
Spreker(s): Colman Toon, MsC, Onderzoeker psychologie en technologie, Onderzoekgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool, Antwerpen

Digitale toepassingen – van wearables tot smartphone gebaseerde zelfrapportage – maken het mogelijk om psychologische processen zoals stress nauwkeurig in kaart te brengen. We bieden een geïntegreerd perspectief op monitoring in het dagelijks leven, waarbij inzichten uit zowel wearable gebaseerde stressmeting als smartphone gebaseerde zelfrapportage worden samengebracht.

We verkennen hoe wearables continue gegevens leveren over de activatie van het zenuwstelsel en over gedrag, en hoe deze data betekenisvol kunnen worden geïnterpreteerd. Daarnaast belichten we de meerwaarde van kortdurende, contextgevoelige zelfrapportage als noodzakelijke aanvulling op fysiologische metingen. Smartphone gebaseerde zelfrapportage van stress heeft de afgelopen jaren een sterke opmars gemaakt. Toch is de kwaliteit van de gebruikte meetinstrumenten niet altijd duidelijk, met belangrijke gevolgen voor de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van de metingen. We bespreken hoe zorgvuldig geselecteerde, korte meetinstrumenten kunnen bijdragen aan valide stressmeting in het dagelijks leven.Door beide domeinen te verbinden, bieden we richtingwijzers voor onderzoekers en professionals die psychologische processen zoals stress willen monitoren met behulp van digitale technologieën. Tot slot illustreren we hoe wearables en zelfrapportage kunnen worden ingezet in een toegepaste context, bijvoorbeeld bij zorgpersoneel en in interventies gericht op het versterken van hun welzijn.

Eventuele opmerkingen: Co-auteurs: Nele De Witte en Tom Van Daele (Onderzoeksgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool), Bert Bonroy (Onderzoeksgroep Mobilab & Care, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool)

Digitale toepassingen in de GGZ: gebruik en meerwaarde van onlinehulp-apps.be
Spreker(s): Van Assche Eva, PhD, onderzoeker psychologie en technologie, Onderzoekgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool, Antwerpen

Onlinehulp-apps.be is een platform dat burgers en hulpverleners toegang biedt tot betrouwbare, kwalitatieve en gebruiksvriendelijke digitale toepassingen voor welzijn en geestelijke gezondheid. Het platform bestaat sinds januari 2021 en omvat 198 gescreende apps. Huidig onderzoek had als doel het gebruik, de tevredenheid en de ervaren meerwaarde van het platform te evalueren

Er werd gebruikgemaakt van drie databronnen: (1) gebruikersstatistieken van onlinehulp-apps.be, (2) elf semigestructureerde interviews met hulpverleners, en (3) een online vragenlijst ingevuld door 117 deelnemers. De deelnemers aan de vragenlijst bestonden voornamelijk uit professionals uit zorg en welzijn (61%), aangevuld met studenten/docenten (19%), burgers of cliënten (18%) en een kleine groep aanbieders van apps of websites (3%). De gecombineerde data gaven inzicht in gebruikspatronen, tevredenheid over het aanbod en functionaliteiten, en de ervaren impact.

Gebruikers en professionals rapporteren een overwegend hoge tevredenheid met het beschikbare aanbod, hoewel verdere uitbreiding naar specifieke doelgroepen en thema’s wenselijk blijft. De functionaliteiten worden positief beoordeeld, vooral wat betreft gebruiksvriendelijkheid, thematische ordening en zoekstructuur. Ze signaleren tegelijk optimalisatiekansen voor zoek- en filtermogelijkheden, en benadrukken de behoefte aan meer zichtbaarheid via updates en nieuwsbrieven. Het platform wordt als meerwaarde ervaren doordat het kwaliteitsvolle keuzes ondersteunt, efficiëntie verhoogt (o.a. tijdswinst bij het vinden van betrouwbare apps) en de drempel tot het inzetten van digitale toepassingen verlaagt.

Deze resultaten wijzen op een tevredenheid over onlinehulp-apps.be en op verdere ontwikkelkansen om het platform te versterken.

Eventuele opmerkingen: Co-auteurs: Sam Brulez (SAM vzw), Sandra Beelen (SAM vzw), Annelien Mees (Mensenmaat, Howest) en Jana Verplancke (Mens, Samenleving en Digitalisering, Arteveldehogeschool)

Ontwikkeling van een Vlaams kwaliteitskader voor digitale zorg en ondersteuning
Spreker(s): Buelens Fien, MsC, onderzoeker psychologie en technologie, Onderzoekgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool, Antwerpen

De toenemende aanwezigheid van verschillende technologieën biedt kansen voor betere geestelijke gezondheidszorg. Het roept tegelijk vragen op over de kwaliteit, veiligheid en verantwoord gebruik. In deze bijdrage presenteren we de ontwikkeling van een Vlaams kwaliteitskader dat belanghebbenden ondersteunt bij het selecteren, ontwikkelen en implementeren van digitale zorg en ondersteuning.

Na een narratief literatuuronderzoek en tien interviews met beleidsdeskundigen werd een Delphi-studie van drie rondes gehouden, waaraan 48 deskundigen deelnamen. Het resulterende ontwerp werd verder geconcretiseerd via vier focusgroepen (N = 25) en aanvullende interviews met deskundigen.

Het kwaliteitskader bestaat uit drie onderling verbonden pijlers: technologie, organisatie en professionals. Elke pijler vertrekt vanuit een bestaand referentiekader (onder meer ISO/TS 82304-2:2021 voor gezondheids- en welzijnsapps) en werd aangepast aan de Vlaamse zorgcontext. In totaal beschrijft het kader 119 kwaliteitscriteria, onderscheiden in must-have criteria (N = 73) en criteria voor verdere optimalisatie (N = 46). Om toepassing in de praktijk te ondersteunen, wordt het kader gekoppeld aan een zelftoetsingsinstrument dat gebruikers begeleidt.

Dit kwaliteitskader biedt een gedeelde taal en concrete houvast voor professionals, organisaties en ontwikkelaars die technologie op een veilige, effectieve en contextgevoelige manier willen inzetten binnen de Vlaamse geestelijke gezondheidszorg.

Eventuele opmerkingen: Co-auteurs: Tom Seymoens  (Mens, Samenleving en Digitalisering, Arteveldehogeschool),  Jana Verplancke (Mens, Samenleving en Digitalisering, Arteveldehogeschool) en Tom Van Daele (Onderzoeksgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool)

Ontwerpen van toekomstbestendige geestelijke gezondheidszorg: het CoMMA procesmodel
Spreker(s): De Witte Nele, PhD, onderzoeker psychologie en technologie, Onderzoekgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg en Welzijn, Thomas More-hogeschool, Antwerpen

De afgelopen decennia zijn in de geestelijke gezondheidszorg verschillende hervormingen voorgesteld, waaronder deïnstitutionalisering, integratie in de eerstelijnszorg, en de inzet van digitale interventies. Al deze ontwikkelingen beogen de toegankelijkheid, aanvaardbaarheid en effectiviteit van zorg te verbeteren. Toch blijven veel zorgstelsels gekenmerkt door complexiteit, rigiditeit en ongelijkheid in toegang. Hierdoor groeit de nood aan nieuwe, geïntegreerde dienstverleningsmodellen die het potentieel van evidence-based benaderingen, zoals digitale interventies en het informele aanbod in de gemeenschap, volledig benutten. In deze bijdrage presenteren we het Comprehensive Model for Mental health Access and service use (CoMMA).

Dit procesmodel omvat zowel informele vormen van ondersteuning (zoals zelfhulp en community-based care) als formele diensten (zoals professionele diagnostiek en interventies). In lijn met de toenemende digitalisering van de zorg belicht CoMMA bovendien de rol van technologie binnen elke fase van het traject. Het model biedt een kader voor zorgstelsels en (toekomstige) professionals om evidence-based psychologische dienstverlening vorm te geven. Het toont hoe geestelijke gezondheidszorg georganiseerd kan worden vanuit actuele wetenschappelijke inzichten, beleidskaders en klinische praktijkervaring. Bestaande diensten kunnen CoMMA gebruiken om processen te optimaliseren en nieuwe hulpmiddelen te implementeren.

Eventuele opmerkingen: Co-auteurs: Eva Van Assche en Tom Van Daele (Onderzoeksgroep Mens en Welzijn, Expertisecentrum Zorg & Welzijn, Thomas More-hogeschool)

 

SYMPOSIUM – S11
Samen sterk in crisis: het belang van het betrekken van familie
Voorzitter
: Steeman Kim, Directeur, Directeur, Familieplatform, Berchem

Een psychische crisis heeft niet alleen een ingrijpende impact op de persoon in crisis, maar ook op diens familie en naasten. Vanuit hun dagelijkse nabijheid zijn zij vaak de eersten die signalen van ontregeling opmerken en handelen. Tegelijk bevinden familieleden zich in een kwetsbare positie: zij dragen een grote emotionele verantwoordelijkheid, beschikken niet altijd over voldoende informatie of handvatten en ervaren drempels om tijdig en gepast hulp in te schakelen. In crisissituaties worden deze spanningen vaak verder uitvergroot. Deze realiteit vormt het vertrekpunt van dit symposium, dat het belang van structurele familiebetrokkenheid in crisiszorg binnen de geestelijke gezondheidszorg centraal stelt. Hoewel wetenschappelijk onderzoek en beleidsadviezen dit belang onderschrijven, blijft familiebetrokkenheid in de praktijk vaak fragmentarisch en afhankelijk van individuele hulpverleners.

Inzichten uit een focusgroep met hulpverleners en gesprekken met familie, aangevuld met de praktijkervaring van Familieplatform en Similes, tonen aan dat deze kloof tussen visie en praktijk zich net in crisissituaties scherp manifesteert. Families geven aan zich vaak onzichtbaar of buitengesloten te voelen wanneer beslissingen worden genomen over hun naaste. Tegelijk ervaren hulpverleners drempels om met familie samen te werken, waaronder tijd- en werkdruk, onzekerheid over beroepsgeheim en vertrouwelijkheid, en een gebrek aan vorming rond relationeel en contextueel werken in crisis.

Dit deel introduceert de opbouw van het symposium. Deel 2 verdiept zich in de noden en ervaringen van families tijdens een crisis. Deel 3 focust op implementatie en samenwerking rond vorming voor hulpverleners. Deel 4 belicht specifieke aandachtspunten voor kinderen en jongeren van ouders in psychische crisis.

Waarom is er nood aan aandacht voor familie bij crisis?
Spreker(s):
Steeman, Kim, Psycholoog, Directeur, Familieplatform, Berchem

Een psychische crisis heeft niet alleen een ingrijpende impact op de persoon in crisis, maar ook op diens familie en naasten. Vanuit hun dagelijkse nabijheid zijn zij vaak de eersten die signalen van ontregeling opmerken en handelen. Tegelijk bevinden familieleden zich in een kwetsbare positie: zij dragen een grote emotionele verantwoordelijkheid, beschikken niet altijd over voldoende informatie of handvatten en ervaren drempels om tijdig en gepast hulp in te schakelen. In crisissituaties worden deze spanningen vaak verder uitvergroot. Deze realiteit vormt het vertrekpunt van dit symposium, dat het belang van structurele familiebetrokkenheid in crisiszorg binnen de geestelijke gezondheidszorg centraal stelt. Hoewel wetenschappelijk onderzoek en beleidsadviezen dit belang onderschrijven, blijft familiebetrokkenheid in de praktijk vaak fragmentarisch en afhankelijk van individuele hulpverleners.

Inzichten uit een focusgroep met hulpverleners en gesprekken met familie, aangevuld met de praktijkervaring van Familieplatform en Similes, tonen aan dat deze kloof tussen visie en praktijk zich net in crisissituaties scherp manifesteert. Families geven aan zich vaak onzichtbaar of buitengesloten te voelen wanneer beslissingen worden genomen over hun naaste. Tegelijk ervaren hulpverleners drempels om met familie samen te werken, waaronder tijd- en werkdruk, onzekerheid over beroepsgeheim en vertrouwelijkheid, en een gebrek aan vorming rond relationeel en contextueel werken in crisis. Dit deel introduceert de opbouw van het symposium. Deel 2 verdiept zich in de noden en ervaringen van families tijdens een crisis. Deel 3 focust op implementatie en samenwerking rond vorming voor hulpverleners. Deel 4 belicht specifieke aandachtspunten voor kinderen en jongeren van ouders in psychische crisis.

Meer zicht op de noden van familie tijdens crisis
Spreker(s):
Pauwels Greet, Beleidsmedewerker, Stafmedewerker, Similes, Leuven

In dit deel wordt, vanuit de expertise van Similes en op basis van systematische bevragingen en gesprekken met familieleden, een verdiepend overzicht gegeven van de noden, ervaringen en knelpunten die families ervaren vóór, tijdens en na een psychische crisis.

In de sessie wordt eerst ingegaan op de meerwaarde van familie als bondgenoot in crisiszorg. Familie beschikt over unieke contextuele kennis van de persoon in crisis, is vaak getuige van de opbouw naar de crisis en kan essentiële informatie aanreiken over voorgeschiedenis, recente veranderingen, verontrustend gedrag en wat helpend of belemmerend werkt. Vervolgens wordt besproken welke drempels families ervaren in hun contact met de hulpverlening, waaronder onzekerheid over procedures, angst voor de gevolgen van interventies, beperkte toegang tot crisishulp en het gevoel niet gehoord of ernstig genomen te worden. Daarnaast komen de noden van familie voor, tijdens en na de crisis expliciet aan bod, zoals de behoefte aan erkenning, duidelijke informatie, betrokkenheid bij zorgbeslissingen en ondersteuning bij het bewaken van de eigen draagkracht. Deze presentatie behandelt ook hoe een gebrek aan structurele familiebetrokkenheid kan leiden tot overbelasting van familieleden en gemiste kansen op preventie en herstel.

Door deze noden en knelpunten systematisch te benoemen, biedt dit deel een onderbouwd inzicht in waarom en hoe familiebetrokkenheid essentieel is in crisiszorg, en vormt het een inhoudelijke basis voor de aanbevelingen en implementatiestrategieën die in de volgende delen verder worden uitgewerkt.

Implementatie: vorming voor hulpverleners rond familie betrekken bij crisis
Spreker(s):
Tambuyzer Jo, Beleidsmedewerker vorming & coaching, Beleidsmedewerker vorming & coaching, Familieplatform Berchem

In deze bijdrage zoomen we in op de belangrijkste elementen van de vorming ‘familie betrekken in crisis’, die tot stand kwam in samenwerking tussen Familieplatform en Similes. De primaire doelstelling van de vorming is hulpverleners concreet te sensibiliseren om meer oog te hebben voor familie en naasten en hen actiever te betrekken in de zorg voor hun dierbare. Dit is essentieel in alle fases van hulpverlening, maar krijgt een bijzonder gewicht in crisissituaties, waarin de noden en spanningen bij familie vaak scherp naar voren komen.

De vorming reikt praktische handvaten aan om familie welkom te heten vanaf de start van een traject tot en met een warme afronding, waarbij familie en naasten zich daadwerkelijk gezien en erkend voelen. Er wordt expliciet ingezoomd op het werken met familie in crisissituaties. Hoe ga je als hulpverlener om met verhoogde emoties, urgentie en complexe dynamieken tussen cliënt, familie en hulpverlening? Waar liggen drempels in de samenwerking met familie tijdens crisis, bijvoorbeeld rond beroepsgeheim, tijdsdruk of veiligheid? En hoe kan je, ondanks deze uitdagingen, blijven handelen vanuit het principe van de trialoog tussen hulpverlener, cliënt en familie? De vorming verkent hoe familie een volwaardige partner in zorg kan zijn, ook in acute en ontwrichtende situaties, en hoe hulpverleners tegelijk oog kunnen hebben voor de draagkracht en ondersteuningsnoden van familie zelf. Via reflectie, concrete handvaten en inspirerende good practices wil de vorming hulpverleners ondersteunen om hiermee aan de slag te gaan én hun organisatie verder te inspireren.

Kinderen en jongeren van een ouder in psychische crisis: enkele belangrijke accenten
Spreker(s):
Noels Annelies, Beleidsmedewerker, Beleidsmedewerker, Familieplatform, Berchem

Wanneer een ouder zich in een psychische crisis bevindt, komt het gezin vaak tijdelijk in een moeilijke situatie terecht. Voor kinderen en jongeren betekent dit onzekerheid en een verhoogd risico op zowel emotionele als praktische overbelasting. Psychische crisissen gaan vaak gepaard met verminderde beschikbaarheid van de ouder, wisselende stemmingen, ziekenhuisopnames en/of acute stress in het gezin. Kinderen kunnen hierdoor angstig of verward geraken of zich verantwoordelijk gaan voelen voor de situatie. In crisissituaties verschuift de focus van hulpverlening echter vaak uitsluitend naar de ouder, waardoor de noden van kinderen minder zichtbaar blijven. Toch is net in deze periode gerichte aandacht voor kinderen essentieel.

In deze bijdrage benadrukken we het belang van een gezinsgerichte benadering in crisishulpverlening, waarin kinderen en jongeren expliciet erkend worden als betrokkenen. We bespreken hoe heldere, eerlijke en leeftijdsadequate informatie kinderen helpt om de crisis beter te begrijpen en hun draagkracht te versterken.

Daarnaast staan we stil bij het belang van het sociaal netwerk.  Welke andere beschermende volwassenen zijn aanwezig? Wanneer een ouder tijdelijk uitvalt, kunnen andere opvoedingsfiguren, familieleden, school of opvang zorgen voor stabiliteit en continuïteit. Ook het ondersteunen van ouders in hun ouderschap, ondanks de crisis, blijft van groot belang. Kleine vormen van voorspelbaarheid, emotionele afstemming en betrokkenheid hebben een beschermend effect op kinderen.

Overkoepelend gaan we in op wat dit vraagt van hulpverleners: een brede, gezinsgerichte blik, waarbij zowel de acute noden van de ouder als het welzijn van de kinderen meegenomen worden. Tijdige signalering, afstemming tussen diensten en het normaliseren van ondersteuning voor kinderen zijn essentieel om langdurige gevolgen te voorkomen.

 

SYMPOSIUM – S12
Praten over zelfmoord aan de Zelfmoordlijn 1813: een integratie van praktijk en onderzoek
Voorzitter: Vande Gaer Eva, Ph.d in de psychologie, master in de klinische psychologie, co-directeur Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Brussel

In 2024 voerden de vrijwilligers en studenten bij de Zelfmoordlijn 1813 23.148 gesprekken met suïcidale personen of hun naasten. Dit zijn vaak gesprekken met personen in acute crisis op hun meest kwetsbare momenten in een context van onzekerheid, chaos en verlies aan perspectief. Spreken over zelfmoord vereist dan ook een verantwoorde en wetenschappelijk onderbouwde aanpak, die tegelijk warm, betrokken en echt is. Hierbij wordt steeds vertrokken vanuit inzicht in de noden van de suïcidale persoon zelf.

Bijkomend voert de staf van het Centrum ter Preventie van Zelfdoding (CPZ) gesprekken met hulpverleners en andere personen die in een professionele context met suïcidale personen in aanmerking komen via ASPHA (Advieslijn Suïcidepreventie voor Huisartsen en Andere Hulpverleners). Ook hulpverleners worden namelijk geconfronteerd met gevoelens van onzekerheid en machteloosheid wanneer suïcidaliteit ter sprake komt.

In dit symposium wordt dan ook ingegaan op 1) verworven inzichten vanuit onderzoek naar de noden van de oproepers aan de Zelfmoordlijn 1813, 2) een nieuwe dienstverlening, het voeren van terugbelgesprekken en 3) het onderzoek hiernaar (VLESP), 4) de aanpak van een specifieke groep regelmatige oproepers met eigen noden en 5) de evaluatie van ASPHA.

(Niet-) helpende elementen van crisisgesprekken bij de Zelfmoordlijn 1813
Spreker(s): Alleweireldt Ayla, master criminologische wetenschappen, stafmedewerker Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Brussel

 Alleweireldt & P. Vanderreydt, dr. E. Vande Gaer, P. Stas, dr. M. Gijzen, dr. E. De Jaegere, K. Pauwels en prof. dr. G. Portzky

Hulplijnen spelen een sleutelrol binnen internationale suïcidepreventie inspanningen. Desondanks onderzoekt slechts een beperkt aantal studies welke specifieke aspecten van de geboden ondersteuning als helpend of juist niet-helpend worden ervaren. In deze studie werden 65 personen geïnterviewd één week na hun contact met de Zelfmoordlijn 1813. Zij percipieerden meerdere handelingen als bijzonder helpend, waaronder: aandachtig luisteren, empathie, authenticiteit en het bieden van steun en erkenning. Ook de gepercipieerde deskundigheid van de beantwoorders, hun vermogen tot crisisde-escalatie, de afwezigheid van tijdsdruk, de vrijheid om over suïcidale gedachten te spreken, en het vermijden van stigmatisering werden als ondersteunend ervaren. 75 procent van de oproepers verwierf bovendien nieuwe inzichten zoals cognitieve herstructurering, en alternatieve toekomstperspectieven.

De bevindingen tonen verder aan dat het al dan niet helpend zijn van interventies afhankelijk is van een correcte toepassing en afstemming op de noden van de oproeper en benadrukken de noodzaak om verder te gaan dan een “one-size-fits-all” benadering.

Van chaos naar helderheid: ondersteuning aan frequente gebruikers van de Zelfmoordlijn 1813
Spreker(s): Versluys Chiara, master klinische psychologie, stafmedewerker, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Brussel

  1. Versluys, G. Van Cappellen, P. Vanderreydt, S. Aerts en P. De Bruyn

Veel hulplijnen krijgen te maken met frequente gebruikers. Dit brengt aanzienlijke uitdagingen met zich mee. Frequent gebruik kan leiden tot afhankelijkheid, de beschikbaarheid voor andere gebruikers beperken en emotionele belasting veroorzaken bij beantwoorders (Mishara et al, 2022). De Zelfmoordlijn 1813 herzag in 2022 het bestaande beleid, met als doel een evenwicht te vinden tussen behoud van de primaire crisisoverbruggende rol van de hulplijn en het tegemoetkomen aan de noden van frequente oproepers.

Hierbij worden frequente gebruikers opgedeeld in drie subgroepen om beter op hun noden in te spelen en tegelijk de werkbaarheid van de hulplijn te waarborgen. Een kernprincipe van het nieuwe beleid is transparantie. Frequente gebruikers worden geïnformeerd over het systeem, de achterliggende rationale en het bestaan van een gebruikersprofiel dat bedoeld is om hun traject op te volgen met behoud van hun anonimiteit. Tijdens deze presentatie gaan we dieper in op de precieze inhoud van deze werkwijze en onze ervaringen hiermee.

Mishara et al., Crisis, 2022, Systematic review of research and interventions with frequent callers to suicide prevention helplines and crisis centers, 44(2), 154-167.

Van crisis tot kracht: terugbelgesprekken bij de Zelfmoordlijn 1813
Spreker(s): Vanderreydt Patrick, bachelor in de klinische psychologie, master burgerlijk ingenieur, stafmedewerker, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Brussel

L. Vandenbussche, C. Versluys, P. Vanderreydt en dr. E. Vande Gaer

Oproepers in suïcidale crisis voelen zich na een gesprek met de Zelfmoordlijn 1813 vaak gekalmeerd, en minder suïcidaal (Pauwels et al, 2024). Doch werpt de intensiteit van een crisisoverbruggend gesprek vaak een drempel op voor het verkennen van vervolgstappen. Oproepers blijven dan achter met nieuwe moed maar onvoldoende handvatten om zelf verder te kunnen noch duidelijke route naar verdere hulp. Voor een deel van hen is dit gesprek het enige contact met hulpverlening. Daarom ontwikkelde de Zelfmoordlijn 1813 een gestructureerd, anoniem terugbelmodel om de huidige crisishulp te versterken.

In dit project worden volwassen oproepers uitgenodigd voor 1 tot 3 geplande telefonische opvolgcontacten. In deze gesprekken ligt de focus, afhankelijk van de nood, op drie pijlers: het verhogen van de kortetermijn veiligheid, het uitwerken van een safety plan en het versterken van de zorgcontinuïteit door mee te zoeken naar passende verdere hulp. Deze presentatie stelt de praktische uitwerking van het terugbeltraject voor, samen met eerste praktijkervaringen, aanwezige drempels en helpende elementen.

Pauwels et al., Archives of Suicide Research, 2025, Assessing a suicide prevention helpline’s impact on caller crisis level and suicidality. 29(3), 621-636.

Pilootonderzoek naar terugbelgesprekken bij de Zelfmoordlijn 1813
Spreker(s): Bellaert Lore, ph.d, wetenschappelijk medewerker, Vlaams Expertisecentrum SuïcidePreventie, Gent

  1. Bellaert, dr. E. De Jaegere en dr. E. Vande Gaer

De Zelfmoordlijn 1813 biedt binnen het kader van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie  laagdrempelige, anonieme crisisinterventie. Internationaal groeit de aandacht voor opvolging na een crisisoproep om zorgcontinuïteit te versterken en suïcidaal gedrag te voorkomen (Gould et al., 2018). Daarom ontwikkelde CPZ een methodiek waarbij bepaalde oproepers terugbelgesprekken krijgen. Het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP) onderzoekt in een kwalitatieve prepilootstudie of deze gesprekken: (1) aanvaard worden als aanvullende crisisondersteuning, (2) haalbaar zijn en (3) een meerwaarde bieden. Een beperkte groep oproepers (n=30) kreeg een terugbeltraject en werd nadien telefonisch geïnterviewd over hun ervaring en de impact op crisisoverbrugging. Daarnaast werden ervaringen van beantwoorders (n=20) en staf (n=3) bevraagd via focusgroepen en interviews. Een thematische analyse brengt randvoorwaarden, obstakels en effecten op suïcidaliteit, coping en hulpzoekend gedrag in kaart. Deze inzichten vormen de basis voor verdere ontwikkeling van de methodiek.

Gould et al., Suicide and Life-Threatening Behavior, 2018, Follow‐up with callers to the National Suicide Prevention Lifeline: Evaluation of callers’ perceptions of care, 48, 75-86.

ASPHA: Telefonische ondersteuning aan hulpverleners rond suïcidaliteit bij cliënten
Spreker(s): Vandenbussche Lies, Master klinische psychologie en master gezondheidsbevordering, stafmedewerker , Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Brussel

  1. Vergaert, C. Versluys, L. Vandenbussche, A. Alleweireldt, S. Verplaetse en dr. E. Vande Gaer

De Advieslijn Suïcidepreventie voor Huisartsen en Andere hulpverleners (ASPHA) heeft als doel huisartsen en andere professionelen advies en ondersteuning te bieden bij hun contact met suïcidale cliënten, hun omgeving en nabestaanden en dit via telefoon en e-mail. Vaak bellen professionelen om hun handelen af te toetsen, mogelijke alternatieve manieren van aanpakken te verkennen of informatie in te winnen. De stafmedewerkers van het CPZ voerden in 2024 357 gesprekken met professionelen die ASPHA contacteerden.

ASPHA wordt regelmatig geëvalueerd. Van midden 2025 tot begin 2026 liep een bevraging naar de ervaringen van gebruikers en professionele beantwoorders. De evaluatie focuste daarbij op vier thema’s: bereik, inhoud, kwaliteit en capaciteit. Er werd gebruik gemaakt van verschillende databronnen: oproepverslagen, een gebruikersonderzoek aan de hand van een telefonische en e-mailenquête, en een bevraging en ronde tafel bij de professionele beantwoorders. In deze presentatie delen we de resultaten van deze evaluatie (wie contacteert ASPHA, inhoud van gesprekken, hoe worden de gesprekken ervaren, …), vergelijken we met eerdere evaluaties en formuleren we conclusies.

 

SYMPOSIUM – S13
Samen werkt – Intersectorale zorg voor dubbeldiagnose (verstandelijke ontwikkelingsstoornis en psychiatrische aandoeningen en/of gedragsproblemen)
Voorzitter
: De Vleminck Jens, PhD, Projectmanager Transversale Zorg (VAPH-GGZ), Zonnelied vzw, Roosdaal

Dit symposium wil het congresthema ‘Van machteloosheid naar kansen – vertrouwen in onzekere tijden’ vertalen naar de uitdaging van het klinisch werken met de doelgroep dubbeldiagnose, inclusief de daarmee verknoopte noodzaak van een intersectorale samenwerking. De complexiteit van de zorgnoden en de uitdagingen die deze met zich meebrengen, confronteren de zorgverleners uit de GGZ- en de VAPH-sector niet zelden met een gevoel van machteloosheid. Via het realiseren van een constructieve samenwerking, gebaseerd op onderling vertrouwen en op het actief uitwisselen van expertise, worden in het samen ‘dragen en houden’ van personen met een dubbeldiagnose nieuwe kansen gecreëerd voor functioneel herstel en kwaliteit van leven. Sinds tientallen jaren loopt er een performante samenwerking tussen Zorggroep Sint-Kamillus Bierbeek (GGZ) en Zonnelied Roosdaal (VAPH) in het kader van gespecialiseerde zorg voor dubbeldiagnosepatiënten van respectievelijk de residentiële observatie- en behandelafdeling OPM en de forensisch-psychiatrische afdeling voor geïntegreerde ondersteuning aan personen met een licht verstandelijke beperking GoLF. Sinds 2025 werd bovengenoemde samenwerking verder geconsolideerd en geïntensifieerd via de co-creatie van de intersectorale verknopingsunit ‘Dwarshoudt’ (VAPH-GGZ), een pilootproject (Vlaams-Brabant & Brussel) voor de doelgroep dubbeldiagnose, specifiek voor die (jong)volwassenen voor wie de terugkeer naar het dagelijkse leven na de GGZ een te complexe uitdaging vormt.

In dit symposium verkennen zorgverleners vanuit de twee sectoren samen verschillende perspectieven op het werken met deze uitdagende patiënten met een complexe zorgnood. Zij getuigen vanuit hun intersectorale en multidisciplinaire ervaring en expertise met het oogpunt de deelnemers te inspireren en van elkaar te kunnen (blijven) bijleren

Psychiatrische perspectief op dubbeldiagnose: actuele good practices en richtlijnen voor psychiatrische interventie
Spreker(s):
Persoons Philippe, MD, PhD, Psychiater GoLF en Dwarshoudt & Beleidsarts DPP, Zorggroep Sint-Kamillus Bierbeek, Bierbeek

Psychiatrische stoornissen gaan gepaard met significant lijden en met beperkingen in het functioneren in verschillende levensdomeinen, waaronder het professionele en het sociale leven. Bij personen met een verstandelijke ontwikkelingsstoornis zijn de symptomen van deze aandoeningen echter vaak aspecifiek en anders dan in de algemene populatie. De klachten komen vaker voor, ontwikkelen zich op een andere manier en beïnvloeden elkaar. In deze bijdrage verhelderen we hoe we dubbeldiagnose kunnen herkennen en differentiëren. We gaan daarnaast ook verder in op actuele ‘good practices’ en richtlijnen voor psychiatrische interventie. We illustreren deze kort aan de hand van enkele klinische vignetten.

Verpleegkundig perspectief op dubbeldiagnose: een veerkrachtig team
Spreker(s): Weckx Van Turnhout & Verboomen Hannelore, Tinne & Evy, Bachelor verpleegkunde; klinisch orthopedagoge/psychotherapeut; Bachelor orthopedagogie   Adjunct-afdelingshoofd Dwarshoudt en verpleegkundige OPM; zorgmanager DUVO-NAH; afdelingshoofd Dwarshoudt & OPM, Zorggroep Sint-Kamillus Bierbeek, Bierbeek

Medewerkers in de zorg voor mensen met een dubbeldiagnose verstandelijke beperking hebben een moeilijke opdracht. Ze worden dagdagelijks geconfronteerd met zeer complexe zorgvragen, hoge verantwoordelijkheden en emotioneel belastende situaties die kunnen leiden tot morele stress. Dit is een vorm van spanning die ontstaat wanneer professionals zich langdurig onder druk gezet voelen in hun waarden, betrokkenheid en professionele integriteit. Wanneer deze stress onvoldoende wordt herkend of gedeeld, kan dit het welbevinden van medewerkers, de samenwerking in het team en de kwaliteit van zorg onder druk zetten.

In deze bijdrage verkennen we hoe teams deze morele stress kunnen herkennen en samen kunnen transformeren naar morele veerkracht. Morele veerkracht verstaan we als het vermogen van teams om, ondanks aanhoudende druk, betrokken, reflectief en zorgzaam te blijven – voor cliënten én voor elkaar. We richten ons op teamdynamiek, onderlinge steun en reflectie als bouwstenen voor veerkracht, met aandacht voor het behoud van betrokkenheid, werkplezier en kwalitatieve, mensgerichte zorg. Aan de hand van herkenbare praktijksituaties wordt verkend wat teams helpt om draagkracht te vergroten, gevoelens van machteloosheid te verminderen en opnieuw verbinding te maken met hun professionele waarden.

Psychotherapeutisch perspectief op dubbeldiagnose: traumasensitief werken
Spreker(s):

Stéphanie Swinnen, Klinisch psycholoog/psychotherapeut, psycholoog Dwarshoudt en GoLF, Zorggroep Sint-Kamillus Bierbeek 
Niels De Vos, Klinisch psycholoog/psychotherapeut, psycholoog Zonnelied, Zonnelied vzw Roosdaal

Deze bijdrage biedt een klinische bespreking van een patiënt/gast wiens hulpverleningsparcours we samen ‘dragen’. Na vooreerst een penitentiaire straf uit te zitten, verblijft hij enkele jaren binnen de afdeling GoLF (Sint-Kamillus) om vervolgens de overgang te maken naar een gespecialiseerde VAPH-setting in Zonnelied. De zorgvraag van deze patiënt/gast wordt benaderd vanuit het perspectief van traumasensitief werken. We illustreren op welke manier we samen klinisch reflecteren over, expertise delen en samen de dagdagelijkse vraagstukken aanpakken van het begeleidingsproces van een volwassen man met een laagverstandelijke beperking, onveilig-chaotische hechting, een disharmonisch ontwikkelingsprofiel en een interneringsstatuut, waarbij de nadruk komt te liggen op de vraag naar een sterk geïntensifieerd en gepersonaliseerd zorgtraject.

Psychotherapeutisch perspectief op dubbeldiagnose: hechting en emotieregulatie
Spreker(s):
Karlien Laes, Klinisch psycholoog/systeemtherapeut, psychotherapeut en therapeutisch coördinator OPM en GoLF, Zorggroep Sint-Kamillus Bierbeek
Els Van Mulders, Klinisch psycholoog/psychotherapeut, psycholoog Zonnelied, Zonnelied vzw Roosdaal

Wanneer een cliënt met een verstandelijke beperking kampt met ernstige hechtingskwetsuren wordt de wereld vaak als een onveilige plek ervaren. Dit vertaalt zich in complex gedrag, inclusief sterk ervaren lichamelijke affecten en emoties van angst, verdriet en boosheid. Aan de hand van klinische vignetten presenteren wij hoe dit gedrag kan worden geduid vanuit de hechtingsstructuur van de cliënt en vanuit de hierbij horende dynamiek in de relatie tot de ander. Wij belichten hoe hechting een invloed heeft op de mate van emotieregulatie en hoe de cliënt hierin kan groeien. We expliciteren de basiservaringen die meebepalen hoe iemand gehecht is vanuit trauma en hechtingstrauma.

In deze bijdrage staat de verschuiving van de houding van ‘beheersen’ naar ‘begrijpen en verbinden’ centraal. Vanuit casuïstiek krijgen deelnemers inspiratie rond hoe via nabijheid en co-regulatie een veilige bedding kan gecreëerd worden, zelfs in situaties van hoogoplopende emoties. Er wordt dieper ingegaan op een ervaringsgerichte aanpak met methodieken, zoals co-reguleren, visualiseren, lichaamsgericht werken en mentaliseren. We willen aantonen op welke manier een brede samenwerking rond een cliënt resulteert in een toegevoegde waarde voor een langdurig behandel- en zorgtraject in functie van zorgcontinuïteit. In deze samenwerking wordt ruimte gemaakt voor het omgaan met cliënt, netwerk en zorgcontext.

Ergotherapeutische perspectief op dubbeldiagnose: faciliteren van betekenisvolle participatie
Spreker(s):Peeters Tine, Bachelor ergotherapie, Ergotherapeut Dwarshoudt en OPM, Zorggroep Sint-Kamillus Bierbeek, Bierbeek

De bijdrage verheldert hoe binnen OPM en Dwarshoudt in het ergotherapeutisch werken een cliëntgerichte benadering centraal staat. Daarbij fungeren het zijn en het doen als de kerncomponenten. We verduidelijken hoe de focus ligt op het therapeutisch proces en het ondersteunen van betekenisvolle participatie, eerder dan op het eindproduct. We illustreren eveneens hoe de ergotherapeutische interventies concreet worden gedifferentieerd en afgestemd op de individuele mogelijkheden, noden en therapeutische doelen, met aandacht voor de persoonlijke en omgevingscontext van de cliënt.

 

SYMPOSIUM – S14
Hypnose als toegang tot veerkracht na trauma
Voorzitter
: De Soir Erik, Psycholoog, Psychotherapeut, hypnosedeskundige, Voorzitter Vhyp, Vhyp, Leopoldsburg

In dit symposium verkennen drie hypnosedeskundigen hoe hypnose, in al haar klinische en evraringsgerichte toepassingen, ingezet kan worden om (opnieuw) toegang te krijgen tot vertrouwen bij mensen die geconfronteerd werden met ingrijpende of traumatische gebeurtenissen. Machteloosheid is vaak een kernervaring bij traumatische processen, zowel bij de hulpzoekende cliënt als bij de behandelaar. Deze machteloosheid kan diepe sporen nalaten in het lichaam en op vlak van zelf-beleving. Hypnose, wanneer zorgvuldig en relationeel toegepast, kan helpen om deze machteloosheid te transformeren naar een ervaring van (innerlijke) regie, veiligheid en verbinding.

De heling begint waar het woord stopt: hypnose bij trauma en dissociatie
Spreker(s):
De Soir Erik, psychiater, psychotherapeut, hypnosedeskundige, voorzitter Vhyp, Vhyp, Leopoldsburg

In deze lezing wordt toegelicht hoe hypnose kan ingezet worden als een non-invasieve en veilige manier om contact te maken met zowel impliciete als expliciete traumatische herinneringen of lichaamsherinneringen zonder dat herbeleving centraal moet staan. Aandacht gaat hierbij naar het omgaan met dissociatie, fragmentatie van de zelfervaringen en de noodzaak aan zorgvuldige pacing. Hypnose wordt aangeboden als een manier om opnieuw vertrouwen op te bouwen, niet door de confrontatie maar door afstemming.

Suggesties die landen: de kracht van taal en beeld in herstelprocessen
Spreker(s):
Vereecken Kathy, Psycholoog, psychotherapeute, hypnosedeskundige psychotherapeute privé en UPCKULeuven kinderpsychiatrie, Vhyp, Leuven

Deze lezing focust op hoe talige suggesties, metaforen en verbeeldingskracht in hypnose gebruikt kunnen worden om machteloosheid om te buigen naar handelingsbekwaamheid en zeggenschap. Hoe kunnen niet invasieve suggesties geformuleerd worden die innerlijke ruimte geven aan cliënten? Hoe spelen met taal en (positieve) suggesties? Hoe cliënten helpen om op symbolisch niveau regie te vinden in een veilige hypnotische context?

Herstel van vertrouwen in de wijsheid van het lichaam en het zelf-gevoel via Focusing en hypnose
Spreker(s):
Delooz Jessica, psychiater, systeempsychotherapeute, Focusing geörienteerd psychotherapeute, hypnosedeskundige, psychiater-psychotherapeute, Vhyp, Boutersem

In deze lezing wordt belicht hoe een combinatie van een luisterende attitude en uitnodigende trance, het lichaamsbewustzijn van vervreemd naar toegankelijk kunnen ombuigen. Op die manier kunnen lichamelijke signalen en taal een gids worden naar herstel (living forward) in plaats van een aanhoudende bron van dreiging.

 

 

SYMPOSIUM – S15
Preventie van zelfbeschadiging: Van machteloosheid naar vertrouwen via zorgcontinuïteit, protectieve factoren en innovatieve interventies
Voorzitter: Janssens J. Julie, Master in de Psychologie, Doctoraat in de Biomedische Wetenschappen, Postdoctoraal onderzoeker, KU Leuven, Leuven

Zelfbeschadiging (i.e., zowel niet-suïcidale als suïcidale zelfverwonding) vormt een ernstig en hardnekkig probleem binnen de geestelijke gezondheidszorg. Zelfbeschadiging start vaak in de adolescentie en is een belangrijke risicofactor voor suïcidale gedachten en gedrag. Tegelijk ervaren hulpverleners, cliënten en naasten in de dagelijkse praktijk vaak gevoelens van machteloosheid: zorg is versnipperd, risico fluctueert snel en bestaande interventies sluiten onvoldoende aan bij het leven buiten de therapieruimte.

Dit symposium vertrekt vanuit de vraag hoe we kunnen evolueren van machteloosheid naar vertrouwen door de optimalisatie van zorg voor personen die aan zelfbeschadiging denken en/of zich beschadigen. Het vertrekt vanuit een visie op zorg die gebaseerd is op verbinding en die continu, contextgevoelig en haalbaar is. We brengen vijf complementaire bijdragen samen die elk een cruciale schakel belichten in de preventie van zelfbeschadiging: (1) evaluatie en optimalisatie van suïcidezorg binnen netwerken geestelijke gezondheidszorg, (2) concrete handvatten om zorgcontinuïteit duurzaam te verankeren, (3) protectieve factoren vanuit het perspectief van jongeren zelf en (4-5) het potentieel én de randvoorwaarden van digitale en blended interventies als aanvulling op therapie.

Door wetenschappelijke evidentie te verbinden met klinische expertise en stemmen van personen met geleefde ervaring én hun naasten, toont dit symposium hoe vertrouwen kan groeien wanneer zorg niet allesomvattend hoeft te zijn, maar wel afgestemd en samen gedragen. We nodigen deelnemers uit om kansen te herkennen en samen te reflecteren over hoe het afstemmen en optimaliseren van zorg een krachtig antwoord kan bieden op gevoelens van machteloosheid in de preventie van zelfbeschadiging.

Evaluatie en optimalisatie van suïcidezorg binnen netwerken GG: Lessen uit het Netwerken-project (Julie Janssens, Magali Van Cauwenbergh, & Kris Van den Broeck)
Spreker(s): Julie J. Janssens & Magali Van Cauwenbergh, Julie: Master in de Psychologie, Doctoraat in de Biomedische Wetenschappen / Magali: Master in Criminology of Criminal Psychology, Julie: Postdoctoraal onderzoeker / Magali: Researcher, KU Leuven / UAntwerpen, Leuven

De zorg voor personen met suïcidale gedachten vraagt sterke samenwerking en continuïteit, maar wordt in de praktijk vaak als versnipperd en moeilijk navigeerbaar ervaren. In deze bijdrage presenteren we bevindingen uit het Netwerken-project: een grootschalige mixed-methods studie naar de organisatie en ervaring van suïcidezorg in Vlaanderen en Brussel.

Het onderzoek combineerde een survey bij 723 zorgactoren met 89 semi-gestructureerde interviews bij personen met suïcidale gedachten en hun naasten. De resultaten tonen een zorglandschap met groot engagement en sterke lokale initiatieven, maar ook met structurele breuklijnen die vooral op transitiemomenten risico’s creëren. Zorgactoren rapporteren beperkte afstemming, onduidelijke rolverdeling en gebrekkige informatie-uitwisseling, terwijl zorggebruikers en naasten beschrijven hoe zij vaak zelf de samenhang in hun traject moeten bewaken. Daarnaast benadrukken alle betrokkenen het belang van mensgerichte en contextgerichte zorg, met aandacht voor nabijheid, regie en structurele betrokkenheid van naasten. De bevindingen wijzen op de nood aan duidelijke netwerkafspraken, een structureel casemanagementmodel en een ondersteunde implementatie van richtlijnen en tools.

Deze bijdrage schetst zo het spanningsveld tussen machteloosheid en kansen, en biedt een empirisch onderbouwd vertrekpunt voor het versterken van vertrouwen, zorgcontinuïteit en afstemming binnen suïcidezorgtrajecten.

Toolkit Zorgcontinuïteit bij suïcidaliteit: Van netwerkafspraken naar duurzame praktijk (Gaetana Meeus, Leysa Groenendijk, & Mercedes Wolters)
Spreker(s): Meeus Gaetana, Master klinische psychologie, Suïcidepreventiewerker, CGG Largo, Roeselare

Zorgcontinuïteit bij suïcidaliteit is van cruciaal belang. Een afgestemd en betrouwbaar zorgtraject kan alleen gerealiseerd worden wanneer hulpverleners, organisaties en netwerken geestelijke gezondheidszorg structureel samenwerken. In deze lezing stellen we de Toolkit Zorgcontinuïteit bij suïcidaliteit voor en lichten we de verschillende materialen toe die netwerken en organisaties hierbij ondersteunen.

De toolkit werd ontwikkeld binnen het project ‘Evaluatie en optimalisatie van de zorgpaden suïcidaliteit binnen de netwerken GG’. De toolkit biedt geen vast stappenplan, maar een flexibele leidraad die kan worden aangepast aan de lokale context.

Tijdens de lezing gaan we dieper in op de drie onderdelen van de toolkit en tonen we hoe ze concreet ingezet kunnen worden. Op netwerkniveau zijn er praktische richtlijnen voor de netwerken ‘GG kinderen en jongeren’ en ‘GG volwassenen’ met checklists, good practices en methodieken om zorgcontinuïteit op te bouwen en te verankeren.

Op organisatieniveau bespreken we de implementatie tool die organisaties helpt om netwerkafspraken en richtlijnen te vertalen naar de eigen werking. We lichten ook de QuickScan toe als instrument om de beginsituatie in kaart te brengen en evoluties op te volgen.

Met deze lezing willen we inspireren en handvatten aanreiken om samen werk te maken van duurzame zorgcontinuïteit bij suïcidaliteit.

Protectieve factoren bij suïcidaliteit: Wat jongeren ons leren (HOPE-studie) (Eveline Van Raes, Marina Danckaerts, & Olivia J. Kirtley)
Spreker(s): Van Raes Eveline,  Arts-specialist kinder- en jeugdpsychiater, PhD student, KU Leuven, Leuven

Suïcidegedachten en -pogingen komen voor bij verschillende psychische aandoeningen en veroorzaken vaak aanzienlijke bezorgdheid, ontreddering en leed bij zowel de betrokkenen als hun naasten. Wereldwijd is suïcide zelfs de derde belangrijkste doodsoorzaak bij jongeren van 15 tot 29 jaar.

Om suïcidaliteit beter te begrijpen en te behandelen, is grondig en doelgericht onderzoek essentieel. Bestaand onderzoek richt zich traditioneel vooral op risicofactoren, terwijl beschermende factoren vaak onderbelicht blijven. Deze lopende studie legt juist de nadruk op beschermende factoren met specifieke aandacht voor jongeren, een bijzonder kwetsbare doelgroep.

In deze lopende studie worden 16 jongvolwassenen tussen 16 en 25 jaar met geleefde ervaring met suïcidaliteit bevraagd over factoren die zij als helpend en beschermend hebben ervaren in het voorkomen van suïcidegedachten en/of het overgaan tot suïcidaal gedrag. In totaal worden 32 individuele interviews en 2 focusgroepen uitgevoerd (N=8 per focusgroep). De interviews verlopen semigestructureerd en de transcripten worden geanalyseerd aan de hand van reflexieve thematische analyse.

De resultaten zullen waardevolle inzichten opleveren in beschermende factoren voor suïcidegedachten en -gedrag bij jongeren en kunnen bijdragen aan het beter afstemmen van onderzoek en behandeling op hun perspectieven.

Ecologische Momentane Interventies bij zelfbeschadiging: Perspectieven van mensen met geleefde ervaring en zorgprofessionals (Mirthe Luijsmans, Laurence Claes, Ruth Tatnell, Marlies Houben, Thomas Vaessen, Inez Myin-Germeys, & Glenn Kiekens)
Spreker(s): Luijsmans Mirthe, Master in klinische psychologie, PhD student, KU Leuven & Tilburg University, Leuven

Niet-suïcidale zelfbeschadiging blijft sterk prevalent binnen klinische populaties. Het vaststellen en behandelen van snel veranderende zelfbeschadigingsgedachten en -drang is uitdagend. Daarnaast blijkt het toepassen van therapeutische vaardigheden vooral moeilijk in het dagelijks leven, waar directe ondersteuning beperkt is. Ecologische Momentane Interventies (EMI’s) bieden potentieel door tijdige, contextgevoelige ondersteuning buiten therapiesessies te leveren, maar zijn nog niet ontwikkeld voor zelfbeschadiging.

Deze studie interviewde 30 mensen met geleefde ervaring en 14 zorgprofessionals na een Ecologische Momentane Assessment (EMA) studie. De interviews richtten zich op (1) de bruikbaarheid van EMA/EMI’s binnen behandeling, (2) wat, hoe en wanneer te interveniëren binnen het risicoproces, en (3) praktische voorwaarden voor gebruik.

Een reflexieve thematische analyse identificeerde drie thema’s: (1) EMA/EMI’s als toegankelijke, ondersteunende hulpmiddelen die proactief leren stimuleren; (2) het belang van afstemming op momentaan risico en actuele behoeften, resulterend in een model met laag, matig en hoog risico; en (3) integratie van EMI’s binnen blended-care via gezamenlijke besluitvorming waarbij therapeutische alliantie en autonomie worden bewaakt.

Het integreren van deze perspectieven zorgt ervoor dat toekomstige EMI’s aansluiten bij de behoeften van gebruikers, de betrokkenheid bij therapie vergroten en herstel in real-time bevorderen.

Integratie van ACT-DL in de klinische praktijk: Ervaringen van clinici (Lotte Uyttebroek, Joanne R. Beames, Evelyne van Aubel, Martien Wampers, Jeroen Weermeijer, & Inez Myin-Germeys)
Spreker(s): Uyttebroek Lotte, Master in de klinische psychologie, PhD student, KU Leuven, Leuven

Blended-care kan bestaande Acceptance and Commitment Therapy (ACT) ondersteunen door sessies te combineren met digitale tools die ervoor zorgen dat cliënten in het dagelijkse leven actief met ACT aan de slag kunnen. De klinische meerwaarde ervan wordt echter mee beïnvloed door hoe clinici deze tools integreren in hun dagelijkse praktijk.

Deze studie onderzocht hoe clinici een ACT-gebaseerde digitale interventie (ACT-DL; ACT in Daily Life) ervaren en integreren in hun therapeutische gesprekken, alsook hoe competent en zelfzeker ze zich voelen bij het gebruik van ACT-DL.

In deze mixed-methods studie in Vlaanderen gebruikten zeven ACT-clinici ACT-DL bij 31 cliënten; drie in residentiële en vier in ambulante zorg. ACT-DL bestaat uit acht face-to-face therapiesessies met een Ecological Momentary Intervention voor assessment en oefeningen in het dagelijks leven. In de sessies bespraken ze ACT vaardigheden, alsook app-gegenereerde data aan de hand van grafieken op een digitaal dashboard. Gebruiksvriendelijkheid en ervaren competenties werden wekelijks bevraagd en clinici namen na afloop deel aan een semi-gestructureerd interview.

Alle clinici waren vrouwelijke psychologen met een gemiddelde leeftijd van 39.1 jaar (SD=11.5) en met ongeveer 5 jaar ervaring in ACT (SD=13.6). Ervaren competenties namen toe over tijd, maar het interpreteren en integreren van datavisualisaties bleef uitdagend. Uit analyse van de interviews bleek dat clinici ACT-DL op verschillende manieren probeerden integreren in hun zorgcontext, maar rapporteerden hierbij ook barrières zoals tijdsdruk, technische problemen en cliëntkenmerken.

ACT-DL kan geïntegreerd worden in de zorg, maar succesvolle implementatie vereist gerichte ondersteuning en contextgevoelige implementatiestrategieën.

 

SYMPOSIUM – S16
Nieuwe kansen voor personen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen, door de handen intersectoraal in elkaar te slaan

Voorzitter: Vermeulen Nele, Master in de pedagogische wetenschappen – orthopedagogiek, Mobiele medewerker consulentenwerking Ampel, Ampel (CGG Prisma), Beernem

Dit symposium richt zich op personen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen die in de praktijk vaak vastlopen tussen sectoren  (GGZ, VAPH, jeugdzorg,…). De vier bijdragen tonen vanuit verschillende praktijken hoe intersectorale samenwerking geen luxe, maar een noodzakelijke voorwaarde is om antwoord te bieden op complexe zorgvragen.

Aan de hand van concrete casuïstiek en werkvormen wordt zichtbaar hoe gedeelde verantwoordelijkheid over sectorgrenzen heen nieuwe perspectieven kan openen. Het symposium nodigt uit tot reflectie over hoe we zorg anders kunnen organiseren voor mensen die structureel tussen de mazen van het zorgnet vallen, met meer continuïteit, afstemming en focus op kwaliteit van leven.

Over sectorgrenzen heen: het verhaal van een out-of-the-box intersectorale interventie
Spreker(s): Vermeulen Nele, Master in de Pedagogische Wetenschappen – Orthopedagogiek, Mobiele medewerker consulentenwerking Ampel, Ampel (CGG Prisma), Beernem

Aan de hand van de casus van Timothy, een man van 36 jaar met een verstandelijke beperking, autisme en psychotische kwetsbaarheid, stellen we een out-of-the-box intersectorale zorginterventie voor. Vertrekkend vanuit een volledig vastgelopen situatie waarbij Timothy nergens meer terecht kon, werd in samenwerking tussen geestelijke gezondheidszorg en de sector voor personen met een handicap (VAPH) een alternatief zorgmodel ontwikkeld, met een individuele woonoplossing (tiny house) op een psychiatrische campus en een flexibel, aanklampend zorgnetwerk. De casus illustreert hoe gedeelde verantwoordelijkheid over sectorgrenzen heen kan bijdragen aan een verschuiving van crisisbeheersing naar kwaliteit van leven en nodigt uit tot reflectie over hoe ondersteuning georganiseerd kan worden voor mensen die structureel tussen de mazen van het zorgnet vallen.

  “Een en-en verhaal”: intersectorale samenwerking bij een jonge vrouw met een verstandelijke beperking en psychische kwetsbaarheid
Spreker(s): Verhoeyen Thijs, Agogisch ondersteuner, mobiele medewerker Outreach De Steiger, Zorggroep Guislain, Outreach De Steiger, Zorggroep Guislain, Gent

In de hedendaagse zorgpraktijk worden professionals steeds vaker geconfronteerd met zorgvragen die niet te categoriseren zijn binnen één sector. Deze casus beschrijft de ondersteuning van een jonge vrouw met een verstandelijke beperking en psychische kwetsbaarheid, waarbij de vraag regelmatig gesteld wordt of haar functioneren voornamelijk bepaald wordt door een verstandelijke beperking, een psychiatrische problematiek of een ontwikkelingsstoornis. Deze vraagstelling toont dat een eendimensionale benadering tekortschiet. De zorgvraag van deze cliënt vraagt om een open blik en een gezamenlijke verantwoordelijkheid over sectorale grenzen heen. In deze casus wordt samengewerkt tussen verschillende sectoren: jeugdzorg, psychiatrie en VAPH. Het verhaal illustreert het belang van intersectorale samenwerking bij complexe zorgvragen en benadrukt dat zorgcontinuïteit ontstaat wanneer sectoren elkaar aanvullen in plaats van afbakenen.

Geestelijke gezondheidszorg aan jongeren met een verstandelijke beperking in de transitieleeftijd: een intersectorale proeftuin van aanklampende zorg
Spreker(s): De Vlieger Steve, medewerker proeftuin Transitieleeftijd Radar, vanuit Zorggroep Guislain, Radar (Zorggroep Guislain), Drongen         

De proeftuin Transitieleeftijd is een intersectoraal samengesteld team van medewerkers uit psychiatrische ziekenhuizen, forensische jongerenwerking, het JAC en het CGG. Vanuit die samenwerking en gevoed door de eigen expertise van de medewerkers proberen we jongvolwassenen met complexe geestelijke gezondheidsnoden, waarbij de bestaande hulpverlening geen antwoord kan of kon bieden, opnieuw te bereiken. Door aanklampend aanwezig te zijn in de leefwereld van de jongere en in te zetten op het opbouwen van een vertrouwensrelatie proberen we op hun tempo terug de stap te zetten richting gepaste hulpverlening. Dit wordt toegelicht aan de hand van ervaringen uit de lopende casuïstiek.

Over de grenzen heen van VAPH en GGZ: wanneer sectoren elkaar vinden in een consulententeam
Spreker(s): Geussens Margot, Medeweker Onada en outreachteam dubbeldiagnose, Multiversum Onada (Multiversum), Mortsel

Onada is de consulentenwerking van het VAPH in de provincie Antwerpen. Vanuit Onada wordt ingezet op het uitwisselen van expertise en het bieden van advies in vastgelopen situaties waarbij sprake is van een combinatie van een verstandelijke beperking en psychische problemen.

Een van de centrale methodieken binnen Onada is het consulententeam: een specifieke intervisiemethodiek waarbij consulenten uit verschillende sectoren samenkomen, waaronder de zorg voor personen met een handicap, de geestelijke gezondheidszorg, het onderwijs en de verslavingszorg.

Elke professional of persoon uit het natuurlijk netwerk kan een vastgelopen situatie aanmelden voor deze doelgroep. Op basis van deze aanmelding wordt een consulententeam samengesteld waarin sectoroverschrijdend wordt meegedacht en expertise gedeeld wordt.

Tijdens deze sessie nemen we jullie mee in het verloop en de praktische uitwerking van een consulententeam, en tonen we hoe intersectoraal samenwerken kan bijdragen aan nieuwe perspectieven in complexe zorgsituaties. Eigenaarschap en actieve participatie van patiënten tijdens een opname zijn essentiële bouwstenen voor het herstelproces en een verhoogde levenskwaliteit. Toch ervaren hulpverleners in de psychiatrische zorg voor personen met een verstandelijke beperking vaak handelingsverlegenheid wanneer het gaat om participatief werken. Hoewel het stimuleren van participatie bij deze doelgroep extra complex kan lijken, biedt het net ook heel wat mogelijkheden om zorg meer op maat vorm te geven.

 

 

SYMPOSIUM – S17
Dubbele kwetsbaarheid: als psychische problemen en middelengebruik/verslaving samengaan
Voorzitter
: Geeraerts Gilles, Psychiatrisch verpleegkundige, VAD – stafmedewerker vorming en hulpverlening, Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drug, Brussel

Heel wat mensen met problematisch middelengebruik zijn extra kwetsbaar door bijkomende psychiatrische problemen of een onderliggende ontwikkelingsstoornis. Zij hebben nood aan een specifieke en geïntegreerde aanpak.

De ontwikkeling van problematisch middelengebruik behelst een complex samenspel van biopsychosociale factoren. Onderliggende risico- en bestendigende factoren op niveau van persoon en omgeving verdienen onze aandacht.

Inleiding en situering
Spreker(s): Claessens Joke, Klinisch Psycholoog, VAD stafmedewerker, Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs, Brussel  

Uit onderzoek naar psychiatrische stoornissen blijkt dat middelengerelateerde stoornissen vaak samen voorkomen met onder meer persoonlijkheidsstoornissen, psychotische stoornissen, posttraumatische stressstoornis (PTSS), stemmingsstoornissen zoals depressie en bipolaire stoornis, angststoornissen, ADHD, autisme en eetstoornissen.

De samenhang tussen deze problematieken is complex. Overmatig middelengebruik kan bijdragen aan het ontstaan of de verergering van psychische problemen, terwijl psychische kwetsbaarheden op hun beurt het risico op problematisch middelengebruik verhogen. Toch is het niet correct om een eenvoudig causaal verband te veronderstellen. Vaak delen deze problemen gemeenschappelijke risicofactoren en versterken ze elkaar en houden elkaar in stand . Zo ontstaat een kluwen van wederzijds beïnvloedende factoren.

Zowel vanuit preventief oogpunt als binnen behandeling en begeleiding is het daarom essentieel om de aanpak af te stemmen op de specifieke noden van deze kwetsbare doelgroep.

Psychosegevoeligheid en middelengebruik
Spreker(s): Corthouts Joris, psycholoog, BOTS-medewerker, PC St Hiëronymus, Sint – Niklaas

 Mensen met een psychosegevoeligheid in combinatie met ernstig middelenmisbruik vallen vaak tussen wal en schip binnen het zorglandschap. Het is echter duidelijk dat beide problematische situaties elkaar negatief beïnvloeden. Middelengebruik kan leiden tot (meer) psychotische gewaarwordingen, terwijl mensen die dit soort ervaringen hebben soms middelen inzetten om hun symptomen te verzachten. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat mensen met een psychosegevoeligheid snel terug starten met middelengebruik na het stopzetten ervan.

Hoe ga je om met mensen die gevoelig(er) zijn voor het ervaren van psychose en tegelijkertijd middelen zoals cannabis of cocaïne gebruiken? Welke invloed hebben psychoactieve stoffen op het functioneren van mensen met psychosegevoeligheid? Wat zijn de mogelijkheden tot herstel en behandeling, en met welke moeilijkheden worden hulpverleners in de praktijk geconfronteerd?

Artikel: Tomlinson P. Recovered or not recovered? A first person narrative case for non-abstinent recovery. J Psychiatr Ment Health Nurs. 2025; 32: 384-8

Autisme & verslaving
Spreker(s): Heelen Christiaan, Contextueel gedragstherapeut, Oprichter Auti-Connect – therapeut, Auti-Connect, Hasselt

Mensen met autisme gebruiken gemiddeld minder vaak middelen dan de algemene bevolking, maar hun risico op problematisch gebruik en verslaving ligt duidelijk hoger. Functioneel kijken naar verslaving betekent verder kijken dan het symptoom. In plaats van verslaving uitsluitend te benaderen vanuit een medisch model (als “ziekte” of “stoornis”), bekijken we gebruik ook als functioneel gedrag: een begrijpelijk antwoord dat ontstaat en blijft bestaan binnen een specifieke context en leergeschiedenis. De sleutel ligt in het begrijpen van context, functie en betekenis van gebruik.

Heelen, C. (2025). Autisme en verslaving: Meer dan een dubbel risico. Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme, 24(4).

ADHD en middelengebruik
Spreker(s): De Vriendt Nele, psychiater, psychiater, CGG VBO, Leuven

ADHD is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Zowel bij ADHD als bij een verslaving speelt een verhoogde impulsiviteit een rol. Bij personen met ADHD verloopt verslaving vaak ernstiger. Het middelengebruik start doorgaans op jongere leeftijd, evolueert sneller naar problematisch gebruik en het bereiken en behouden van abstinentie blijkt vaak moeizaam. Omgekeerd heeft problematisch middelengebruik ook een negatieve impact op het verloop en de behandeling van ADHD, waardoor beide problematieken elkaar wederzijds versterken. Hoe kan je met de eigenheid van deze doelgroep rekening houden in de hulpverlening?

Crunelle, C. L., van den Brink, W., Moggi, F., Konstenius, M., Franck, J., Levin, F. R., van de Glind, G., Demetrovics, Z., Coetzee, C., Luderer, M., Schellekens, A., ICASA consensus group, & Matthys, F. (2018). International Consensus Statement on Screening, Diagnosis and Treatment of Substance Use Disorder Patients with Comorbid Attention Deficit/Hyperactivity Disorder. European Addiction Research, 24(1), 43–51

 

 

SYMPOSIUM – S18
Suïcidepreventie: nieuwe inzichten en tools van het VLESP
Voorzitter: Dumon Eva, Klinisch Psycholoog, Wetenschappelijk Medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, Gent

In het kader van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie bracht het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP) dit jaar tal van nieuwe methodieken uit om suïcidepreventie in de zorg en daarbuiten te versterken.

Wat is er nieuw of zit er in de pijplijn? Het onderzoek naar de Suïcidale Crisis Interventie, een kortdurende interventie voor de begeleiding van personen na een suïcidale crisis of suïcidepoging, is afgerond en klaar voor implementatie in de praktijk. Voor hulpverleners die werken met kinderen en jongeren ontwikkelde het VLESP ‘SParcours’: een kaartenset om met kinderen en jongeren in gesprek te gaan over zelfdoding. Voor hulpverlening aan mannen, kunnen hulpverleners inzichten en praktijktips opdoen in een nieuwe online leermodule. En wie werkzaam is in detentie zal inspiratie kunnen halen uit de nieuwe tools ontwikkeld voor suïcidepreventie op maat van de detentiecontext. Voor kinderen en jongeren die aan zelfdoding denken is er verder de gloednieuwe zelfhulp-app ‘Spark’. En personen met autisme zullen binnenkort aan de slag kunnen met een autismevriendelijke versie van de online zelfhulpcursus ‘Think Life’.

Alle methodieken zijn wetenschappelijk onderbouwd en onderzocht en werden telkens in co-creatie ontwikkeld met de specifieke doelgroepen en relevante partners. In dit symposium maak je kennis met alle nieuwe tools en versterk je jouw inzicht in de aanpak van suïcidepreventie in de praktijk.

De toegang tot de geestelijke gezondheidszorg is een complex kluwen in een ondoorzichtig landschap, wat de zoektocht naar gepaste hulp moeilijk maakt. Nochtans is een goede match tussen vraag en aanbod – de indicatiestelling – een eerste stap van een succesvolle behandeling. Daarnaast beschikt de sector over weinig overkoepelende data van de vragen die zich stellen in ggz, we varen blind.

SParcours en Spark: innovatieve methodieken voor suïcidepreventie bij kinderen en jongeren
Spreker(s): De Jaegere Eva, Klinisch Psycholoog, Onderzoekscoördinator, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie Gent

Hoewel suïcide de belangrijkste doodsoorzaak is bij jongeren (vanaf 15 jaar) en recente suïcidecijfers geen goede evolutie tonen, bestaan er nauwelijks onderbouwde tools of interventies voor jongeren. Dit staat in groot contrast met ervaren noden. Om daaraan tegemoet te komen ontwikkelde het VLESP ‘SParcours’ en ‘Spark’, in co-creatie met jongeren en experten uit het klinisch werkveld. SParcours is een kaartenset voor hulpverleners, bestaande uit drie parcours met werkvormen en richtvragen om met kinderen en jongeren in gesprek te gaan over suïcidaliteit.  Spark is een zelfhulp-app die jongeren ondersteunt in het omgaan met zelfmoordgedachten. Het bevat o.a. een Safety Plan, tools voor moeilijke momenten zoals een HopeBox, psycho-educatie voor jongeren en hun omgeving en biedt mogelijkheden voor blended care.

Het VLESP onderzocht beide methodieken op bruikbaarheid, toepasbaarheid en werkzaamheid. De resultaten tonen dat SParcours en Spark niet alleen praktisch toepasbaar zijn, maar ook een veelbelovende bijdrage kunnen leveren aan betere zorg voor suïcidale kinderen en jongeren.

Tijdens dit symposium licht het VLESP de methodieken en onderzoeksresultaten toe, met aandacht voor implementatie in de praktijk.

Autismevriendelijke suïcidepreventie
Spreker(s): Dumon Eva, Klinisch Psycholoog, Wetenschappelijk Medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, Gent

 Personen met autisme worden onevenredig getroffen door suïcidale gedachten, pogingen en suïcides. Vandaar het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie verhoogde aandacht schenkt aan deze doelgroep.

In 2024 bracht het VLESP praktijkadviezen en een e-learning module voor hulpverleners uit, evenals een autismevriendelijk Safety Plan en tips voor naasten van personen met autisme. Momenteel werkt het VLESP in samenwerking met KU Leuven aan een autismevriendelijke versie van de online zelfhulpcursus Think Life. Daartoe werden personen met autisme en hulpverleners bevraagd in een kwantitatieve en kwalitatieve studie.

In deze bijdrage krijg je de belangrijkste adviezen mee en een eerste blik op de autismevriendelijke versie van de Think Life cursus en de achterliggende studie.

Mannen met suïcidale gedachten ondersteunen: een e-learning voor hulpverleners
Spreker(s): Stas Pauline, Klinisch Psycholoog, Wetenschappelijk Medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, Gent

Mannen ervaren vaak drempels in het zoeken naar professionele hulp. Dit vraagt van hulpverleners een gendersensitieve aanpak, rekening houdend met de invloed van maatschappelijke verwachtingen en traditionele gendernormen rond mannelijkheid.

Om hierop in te spelen ontwikkelde het VLESP een e-learning voor hulpverleners die concrete handvaten biedt voor het herkennen en bespreekbaar maken van suïcidale gedachten bij mannen. Centraal staan psycho-educatie over gender socialisatie en suïcidaliteit, afstemmen van taalgebruik en houding, versterken van autonomie, omgaan met weerstand en reflecteren over eigen genderbiases. Praktische voorbeelden, reflectievragen en downloadbare samenvattingsfiches ondersteunen de vertaalslag naar de klinische praktijk. Een evaluatie bij 109 hulpverleners toonde dat de module zorgde voor een toename in zelfvertrouwen en gendersensitieve competenties, wat hen in staat stelt om hun praktijk beter af te stemmen op de noden van mannen met suïcidale gedachten.

In deze bijdrage maak je kennis met de e-learning module en krijg je tal van praktijktips mee over suïcidepreventie op maat van mannen.

Methodieken voor suïcidepreventie in detentie
Spreker(s): Pauwels Kirsten, Criminoloog, Adjunct-directeur, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, Gent

Personen in detentie zijn bijzonder kwetsbaar voor suïcidale gedachten en gedrag. Bestaande tools voor suïcidepreventie zijn echter niet goed toepasbaar binnen detentie. Ook ontbreekt het in gevangenissen vaak aan kennis en expertise om te werken rond suïcidepreventie, naast het feit dat de context er complex is en geconfronteerd wordt met tal van uitdagingen.

Vanuit deze vaststellingen ontwikkelde het VLESP in samenwerking met de suïcidepreventiewerking van CGG en andere organisaties binnen het werkveld concrete methodieken voor suïcidepreventie in de gevangenis: (1) een e-learningmodule voor personeel binnen detentie, (2) een leidraad voor het bespreekbaar maken van suïcidaliteit en risicoformulering (LOES-D) en (3) adviezen voor Safety planning. Deze kwamen tot stand in co-creatie met hulpverleners en personen in detentie.

Tijdens deze bijdrage stelt het VLESP de e-learning module en de resultaten van de pilootstudie voor, evenals de adviezen voor Safety Planning in detentie, risicoformulering en LOES-D(etentie).

Suïcidale Crisis Interventie: een kortdurende interventie na een suïcidale crisis of suïcidepoging
Spreker(s): Pittoors Lies, Klinisch Orthopedagoog, Gedragstherapeut, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, Gent

Het doormaken van een suïcidepoging is een ingrijpende gebeurtenis én verhoogt de kans op een nieuwe poging of overlijden door suïcide. Het is daarom cruciaal om personen na een suïcidale crisis of suïcidepoging passende zorg te bieden. Hiervoor zijn echter weinig wetenschappelijk onderbouwde interventies voorhanden.

Het VLESP ontwikkelde daarom de Suïcidale Crisis Interventie (SCI): een kortdurende, laagdrempelige interventie die inzicht biedt in de suïcidale crisis en handvatten aanreikt om met suïcidaliteit om te gaan. Kerncomponenten zijn het werken met het integratief verklarend model, het opstellen van een Safety Plan, het betrekken van naasten en het formuleren van behandeldoelen om de motivatie voor zorg en zorgcontinuïteit te bevorderen. Aan de hand van een gerandomiseerde gecontroleerde studie onderzocht het VLESP de impact van de SCI op suïcidaliteit, evenals het effect op hopeloosheid, verslagenheid, entrapment en interpersoonlijke noden.

Tijdens dit symposium presenteert het VLESP de inhoud van deze interventie, de onderzoeksresultaten, en hoe je ermee aan de slag kan in de praktijk.

 

SYMPOSIUM – S19
Zorgcontinuïteit vanuit diverse perspectieven
Voorzitter
: Van Den Broeck Kris, Professor – Klinisch Psycholoog, Professor – Directeur Psyche, Universiteit Antwerpen – Psyche vzw, Wilrijk

Zorgcontinuïteit vormt een fundament binnen de geestelijke gezondheidszorg, zeker tijdens kwetsbare overgangsmomenten zoals het ontslag uit het ziekenhuis. Een goed afgestemde keten verhoogt de kwaliteit van zorg en de tevredenheid van patiënten, terwijl het risico op complicaties en heropnames daalt. Het garandeert een betrouwbaar vangnet waarin patiënten zich gesteund weten, ongeacht waar ze zich in hun zorgtraject bevinden. Tijdens het symposium komt dit brede thema vanuit vier complementaire invalshoeken aan bod. Vanuit een datagedreven beleidsperspectief kan systematische gegevensverzameling en -analyse bijdragen aan betere besluitvorming, gerichtere interventies en een transparantere weergave van het zorglandschap. Data maken hiaten in de keten zichtbaar en ondersteunen organisaties in het ontwikkelen van duurzame verbeterstrategieën.

Binnen Ambutox (Verslavingskoepel vzw) dragen ervaringsdragers bij tot het verhogen van zorgcontinuïteit en het ondersteunen van zelfhulp. Daarnaast wordt er ingezet op een goede afstemming tussen huisartsen en GGZ-actoren tijdens de ontwenningsfase.

Een derde luik focust op de nieuwe multidisciplinaire richtlijn voor somatische opvolging voor personen met een EPA in de eerste lijn. Deze richtlijn benadrukt het belang van structurele samenwerking tussen GGZ, huisartsen en andere eerstelijnsactoren om lichamelijke gezondheid systematisch mee te nemen in het behandeltraject.

Tot slot presenteert een intersectorale prevalentiestudie rond complexe zorgnoden nieuwe inzichten. De resultaten tonen hoe verschillende sectoren, van welzijn tot justitie en gezondheidszorg, met overlappende populaties werken, wat de nood aan geïntegreerde, domeinoverschrijdende zorgmodellen verder bevestigt.

Samen schetsen deze bijdragen een helder beeld: zorgcontinuïteit vraagt om samenwerking, kennisdeling en een blijvende focus op de leefwereld van de patiënt.

iPSYcare: inzicht in zorgstromen ter verbetering van zorgkwaliteit en -continuïteit
Spreker(s): Stuer David, Doctor in de economische wetenschappen – Psycholoog, Post-doctoraal onderzoeker, Universiteit Antwerpen, Wilrijk

Het bieden van toegankelijke en kwalitatieve geestelijke gezondheidszorg (GGZ) blijft een grote uitdaging. Informatie over hoe patiënten zich door het zorgsysteem bewegen is vaak versnipperd, wat systematische kennisopbouw bemoeilijkt. Het opzetten van een centrale databank kan hierin een belangrijke meerwaarde bieden. Vanuit deze logica werd de iPSYcare-databank ontwikkeld. iPSYcare is een project waarin patiëntengegevens uit verschillende (psychiatrische) ziekenhuizen worden samengebracht. Het doel is om patiëntenstromen binnen de Antwerpse GGZ in kaart te brengen en zo bij te dragen aan beter onderbouwd beleid en kwaliteitsverbetering van zorg. Hoewel een centrale databank veel potentieel biedt, leidt het samenbrengen van data niet automatisch tot betere beslissingen. Analyses vormen de brug tussen dataverzameling en beleidsverbetering. Veel dataprojecten stranden omdat complexe analyses onvoldoende aansluiten bij de praktijk. Om dit te vermijden, wordt de iPSYcare-databank geanalyseerd via het LAMP-framework, gericht op beleidsrelevantie. Dit omvat: (1) een Logische vraagstelling die vertrekt vanuit noden in het veld en toekomstige dataverzameling stuurt; (2) Analyses op drie niveaus: beschrijvend (wat gebeurt er?), verklarend (waarom?), en voorspellend (hoe verloopt een zorgtraject, met oog op interventie); (3) continue monitoring van Meetvaliditeit, onder meer via het Total Survey Error-raamwerk; en (4) Progressieve terugkoppeling naar het veld en integratie van inzichten in de praktijk, rekening houdend met bestaande culturen en waarden. De analysefase van dit project bevindt zich in een beginfase. Op het GGZ-congres presenteren we een eerste update, inclusief ons analytisch kader en eerste inzichten.

Continuïteit van zorg bij ontwenning van legale en illegale middelen
Spreker(s): Feyen Hilde, Msc Verpleegkunde – predoctoraal onderzoeker, Onderzoeker, UAntwerpen, Wilrijk

Ontwennen van een product gebeurt doorgaans een residentiële setting. Beschikbaarheid in de eerstelijnszorg is er nauwelijks. Maar de meeste mensen geven de voorkeur aan behandeling níet in een opname. In het najaar van 2024 startte Verslavingskoepel VZW in het arrondissement Turnhout het pilootproject Ambutox voor mensen die willen stoppen met gebruik in de eigen omgeving. Mensen met een actieve verslaving aan alcohol en/of drugs en/of medicatie kunnen op hun vraag ontwennen met medisch-farmacologische begeleiding van hun huisarts. Parallel en gelijkwaardig daaraan, zoals de reguliere reeds langer bestaande werking van Verslavingskoepel VZW voorziet, wordt de zorgvrager door een ervaringsdrager van Verslavingskoepel ondersteund en gegidst naar het zelfhulplandschap. De ervaringsdrager steunt, helpt en wijst mee de weg tijdens het herstelproces. De huisartsen worden door de verslavingsarts van Verslavingskoepel VZW ondersteund bij de ambulante detoxificatie. Ondertussen groeide het project verder uit naar een samenwerking tussen GGZ, CAW, huisartsen en Verslavingskoepel. Dit project is onderdeel van een doctoraatsonderzoek; zorgvragers die ‘instappen’ in het project worden opgevolgd in hun herstel. De tot dan verkregen resultaten van de longitudinale opvolging worden voorgesteld.

Multidisciplinaire richtlijn somatische zorg voor personen met een EPA in de eerste lijn
Spreker(s): Martens Klaas, Post-doctoraal onderzoeker – Verpleegkundig Specialist, Onderzoeker-Docent, Beleidsmedewerker, Universiteit Antwerpen – Karel de Grote Hogeschool – Zorggroep Multiversum, Wilrijk

Recent werd de nationale ‘Multidisciplinaire richtlijn voor personen met een ernstig psychiatrische aandoening (EPA) in de eerste lijn’ gevalideerd door CEBAM. Deze richtlijn zet in op enerzijds preventieve somatische screening, en anderzijds op interventies en management bij somatische klachten bij personen met een EPA. Gezien de verhoogde somatische comoborbiditeit en lagere levensverwachting binnen deze doelgroep is het van belang deze aanbevelingen op een multimodale wijze toe te passen. De bijdrage binnen dit symposium zal toelichting geven rond de aanbevelingen binnen deze richtlijn en de focus leggen op hoe dit kan worden geïmplementeerd in de praktijk. Dit teneinde de zorgcontinuïteit tussen residentiële GGZ en de eerste lijn te verhogen en welke disciplines een rol kunnen opnemen binnen dit luik van de zorg.

Prevalentiestudie naar complexe zorgnoden binnen zorg- en welzijn
Spreker(s): Van Suetendael Luna, Master Verpleegkunde – predoctoraal onderzoeker, Onderzoeker – Medewerker Outreachteam, Universiteit Antwerpen – CAW Antwerpen, Wilrijk

 

SYMPOSIUM – S20
Elektroconvulsietherapie: van goed naar beter
Voorzitter: Sienaert Pascal, MD, PhD, Psychiater, UPC KU Leuven, Kortenberg

“De werkzaamheid van elektroconvulsietherapie (ECT) bij depressie behoeft geen betoog. Mede hierdoor richt onderzoek zich steeds vaker op het verminderen van bijwerkingen, het verhogen van het comfort en het voorkomen van herval. Een aanzienlijk deel van de patiënten die met ECT (zullen) worden behandeld ervaren in belangrijke mate angst voor deze behandeling. Eigen onderzoek toont dat ‘Virtual Reality’-toepassingen het comfort kunnen verhogen door de angst voor ECT te verminderen, ook bij ouderen die minder vertrouwd zijn met technologische vernieuwingen (lezing 1 – Jasmien Obbels).

Herval na een antidepressieve behandeling komt vaak voor, ook na ECT. In dit symposium worden de resultaten besproken van de  ‘Preventing Relapse After Successful ECT for Depression’ (PRASED) studie. In deze studie kregen 96 volwassenen na succesvolle ECT gedurende zes maanden gepersonaliseerde onderhouds-ECT (O-ECT), waarbij alleen ECT werd gepland bij een toename van symptomen. Tegelijkertijd werden de patiënten gerandomiseerd naar lithium of geen lithium. Of dit een afdoende manier is om herval te voorkomen wordt besproken (Lezing 2 – Liselotte Gezels). Een bezorgdheid is dat het toevoegen van lithium meer cognitieve bijwerkingen met zich brengt. In de PRASED-studie wordt ook het cognitief functioneren gedurende zes maanden opgevolgd (Lezing – 3 Liese van den Eynde). Het is tot op heden onmogelijk gebleken te voorspellen wie cognitieve bijwerkingen zal ervaren. De re-oriëntatietijd – de tijd die nodig is om zich na een ECT-sessie opnieuw te oriënteren in persoon, plaats en tijd – is een mogelijke voorspeller van geheugenklachten. In een literatuurstudie  werd onderzocht of de reoriëntatietijd na ECT een voorbode is van latere geheugenklachten (Lezing 4 – Nathalie Denayer). ”

Vermindert VR-Relaxatie de angst bij patiënten die behandeld worden met ECT: een pilootstudie naar haalbaarheid en aanvaardbaarheid
Spreker(s):
Obbels Jasmien, PhD, Psycholoog, UPC KU Leuven, Kortenberg

Een aanzienlijk deel van de patiënten die met ECT (zullen) worden behandeld ervaren in belangrijke mate angst voor deze behandeling. Tot op heden is er slechts beperkt wetenschappelijk onderzoek verricht naar interventies die gericht zijn op het reduceren van ECT-gerelateerde angst. Virtual Reality die gericht is op relaxeren (VR-relaxatie) is een veelbelovende interventie binnen de geestelijke gezondheidszorg. De effecten van VR-relaxatie zijn echter nog niet onderzocht bij mensen die behandeld worden met ECT. Deze pilootstudie beoogt de haalbaarheid en aanvaardbaarheid van VR-Relaxatie te onderzoeken bij 25 patiënten die behandeld worden met ECT. VR-Relaxatie werd gedurende 15 minuten aangeboden vlak voor de ECT behandeling. Onmiddellijk voor en na de VR-Relaxatie-sessie werden vragenlijsten afgenomen. In deze presentatie zullen we de resultaten van deze pilootstudie en hun klinische impact bespreken.

Hoe herval na ECT verminderen: Preventing Relapse After Successful ECT for Depression (PRASED)
Spreker(s): Gezels Liselotte, PhD-student, Onderzoeker, UPC Duffel, Duffel

Terugval na ECT blijft een belangrijke klinische uitdaging. Onderhouds-ECT (O-ECT), met name in combinatie met antidepressiva, vermindert het risico op terugval, terwijl een symptoomgestuurd en geïndividualiseerd behandelingsschema op basis van het Symptom-Titrated, Algorithm-Based Longitudinal ECT (STABLE)-algoritme verdere optimalisatie van behandeluitkomsten kan bieden. De aanvullende waarde van lithiumaugmentatie bij gepersonaliseerde O-ECT in combinatie met antidepressiva is echter nog onvoldoende onderbouwd. In de studie Preventing Relapse After Successful ECT for Depression (PRASED) werden 96 volwassenen die remissie bereikten na acute ECT gerandomiseerd naar gepersonaliseerde O-ECT gecombineerd met antidepressiva, met of zonder lithiumaugmentatie, gedurende 24 weken. De O-ECT frequentie werd wekelijks aangepast op basis van Inventory of Depressive Symptomatology-Clinician Report (IDS-CR) scores. Deze presentatie zal de resultaten van de PRASED-studie voorstellen, met bijzondere aandacht voor de impact van lithiumtoevoeging aan O-ECT op terugvalpercentages en depressieve symptomatologie overheen de tijd. Deze bevindingen zullen worden gekaderd binnen de bestaande evidentie en vertaald naar implicaties voor de klinische praktijk, waarbij tevens de haalbaarheid van een gepersonaliseerd O-ECT-schema wordt besproken.

Cognitieve effecten van onderhoudsbehandeling met ECT en lithium bij depressie.
Spreker(s): van den Eynde Liese, PhD-student, onderzoeker, KU Leuven, Kortenberg

Ongeveer de helft van de patiënten met een depressie die goed opknapten met een antidepressieve behandeling doet binnen het jaar een recidief. Bij ouderen is een combinatie van antidepressiva en onderhouds-ECT effectief gebleken in het verkleinen van de kans op herval. Het toevoegen van lithium heeft bovendien mogelijk een bijkomend profylactisch effect (Lambrichts e.a., 2021).  Zowel ECT als lithium kunnen echter neurocognitieve effecten hebben. De impact van hun combinatie is tot op heden beperkt onderzocht.

In de multicentrische PRASED-studie onderzochten we het effect van onderhouds-ECT en antidepressiva, al dan niet gecombineerd met lithium, als hervalpreventie succesvolle ECT voor depressie. In deze presentatie bespreken we de cognitieve effecten van het toevoegen van lithium aan onderhouds-ECT. 96 deelnemers die remissie bereikten na ECT werden gerandomiseerd naar een onderhoudsbehandeling met onderhouds-ECT met of zonder lithium. Het cognitief functioneren werd gedurende zes maanden op meerdere tijdstippen opgevolgd aan de hand van een uitgebreide neuropsychologische testbatterij. De testscores van  beide behandelgroepen worden besproken, met als doel meer inzicht te krijgen in de cognitieve tolerabiliteit van lithiumtoevoeging aan onderhouds-ECT.

Lambrichts S e.a. (2021). Does lithium prevent relapse following successful electroconvulsive therapy for major depression? A systematic review and meta-analysis. Acta Psychiatr Scand 143: 294–306.

S02.4 titel?
Spreker(s):
Denayer Nathalie, PhD-student, Onderzoeker, UPC KU Leuven, Kortenberg

Ondanks vooruitgang in ECT-technieken ervaart een deel van de patiënten cognitieve bijwerkingen. Met name retrograde autobiografische amnesie blijft een belangrijk aandachtspunt, gezien deze bij sommige patiënten maanden na ECT kan aanhouden. Het identificeren van voorspellers van deze bijwerkingen is essentieel om risico’s te beperken en behandeluitkomsten te verbeteren. Reoriëntatietijd – de tijd die nodig is om zich na een ECT-sessie opnieuw te oriënteren in persoon, plaats en tijd – is een mogelijke voorspeller van zowel geheugenklachten als van klinische respons. Aan de hand van een literatuuronderzoek dragen we bij aan een beter begrip van reoriëntatietijd en de mogelijke predictieve waarde ervan voor klinische en cognitieve uitkomsten van ECT, om de praktijk van ECT te optimaliseren.

 

 

SYMPOSIUM – S21
“De maan in een dauwdruppel” – het belang van een aanraakbaarheid bij mensen met bipolaire gevoeligheid
Voorzitter: Smets Elyn, Master Klinische Psychologie, Postgraduaat Psychoanalytische Psychotherapie, geassocieerd lid BSP-EBP, Psycholoog-Psychotherapeut, Praktijk The Village, Belgische School voor Psychoanalyse-Ecole Belge de Psychanalyse, Wilsele

In tijden van maatschappelijke polarisatie, institutionele druk en een gevoel van machteloosheid bij zorgverleners verschuift vertrouwen steeds vaker van een relationeel-existentiële ervaring naar beheersing, meetbaarheid en risicomijding.  We brengen het begrip ‘aanraakbaarheid’(1) als ethische houding in verband met Winnicotts concept van ‘goed-genoeg’(2) als relationele houding en verkennen wat dit kan betekenen voor diagnostiek en behandeling in de geestelijke gezondheidszorg. We illustreren dit aan de hand van gedichten en klinische vignetten vanuit het ambulant en residentieel (groeps-)aanbod voor mensen met een bipolaire gevoeligheid. Tegenover hedendaagse tendensen stellen we in dit symposium dat kansen (‘chance’) niet zozeer voortkomen uit procedures en protocollen, maar uit het mogelijk maken van een ruimte waarin iets kan gebeuren, juist omdat de betekenis, de stappen of het doel niet vastliggen. Zoals de maan zich weerspiegelt in een dauwdruppel zonder haar te grijpen, zo vraagt een ontmoeting om een ruimte waarin ‘de ander’ en ‘het andere’ kan verschijnen zonder te willen begrijpen. Zo’n ontmoetingen waarin patiënten zich werkelijk gezien, gehoord en erkend weten, kunnen juist in onzekere tijden een krachtige hefboom zijn om – ook op collectief niveau – vertrouwen te herstellen.

(1) Vandenborre, R., 2014, Van aanraakbaarheid rijk. Ontmoetingsruimten voor jonge kinderen en ouders, Kessel-Lo, Literarte.

(2) Winnicott, D. W., International Journal of Psycho-Analysis, 1953, Transitional objects and transitional phenomena, 34, 89–97

“De kolibrie in de teerput” – aanraakbaarheid in groepstherapie bij mensen met bipolaire gevoeligheid
Spreker(s): Stuyven Tineke, Master Klinische Psychologie, Postgraduaat Psychoanalytische Psychotherapie, participant BSP-EBP, Psycholoog-Psychotherapeut, Praktijk The Village, Belgische School voor Psychoanalyse- Ecole Belge de Psychanalyse, Wilsele

 We verkennen de rol van aanraakbaarheid binnen een psychoanalytische groepstherapie voor mensen met een bipolaire gevoeligheid. De therapeutische groep wordt benaderd als een klankkast of als een ruimte van aanraakbaarheid, waarin affecten, intensiteiten en tempo’s niet alleen hoorbaar worden, maar ook elkaar kunnen raken. De aandacht gaat uit naar hoe deelnemers zich bewegen, soms met de lichtheid en snelheid van een kolibrie, soms vastgezogen in de stroperigheid van wat zich moeilijk laat verwoorden.

Aan de hand van een klinisch vignet en een beschouwende analyse tonen we hoe de muzikaliteit van zowel deelnemers als therapeuten een vorm van aanraakbaarheid mogelijk maakt die voorafgaat aan expliciete symbolisering. Theoretisch verkennen we de spanning tussen ritmering, geïnspireerd door het denken van Gilles Deleuze(1) , en symbolisering zoals uitgewerkt door Darian Leader(2). Hoewel deze benaderingen op het eerste gezicht onverenigbaar lijken, stellen wij de vraag of zij elkaar in de klinische praktijk niet juist wederzijds kunnen aanvullen.

Muzikaliteit kan fungeren als een overgangsgebied waarin ritme en betekenisvorming elkaar niet uitsluiten, maar dynamisch met elkaar verweven raken en zo een klinische ruimte openen waarin betekenis geleidelijk kan ontstaan zonder te forceren. Dit perspectief biedt nieuwe aanknopingspunten voor het werken met affectregulatie en relationele afstemming in groepstherapie bij mensen met bipolaire gevoeligheid.

(1) Deleuze, G. (1980). Mille plateaux. Paris: Les Éditions de Minuit.

(2) Leader, D. (2015). What is madness? London: Penguin.

 “Passacaglia della vita”- aanraakbaarheid in de psychiatrische begeleiding bij mensen met een bipolaire gevoeligheid

Spreker(s): Van Bouwel Ludwina, Master in de Geneeskunde optie Psychiatrie, Postgraduaat Psychoanalytisch Psychotherapie, titulair lid BSP-EBP, psychiater-psychotherapeut-psychoanalytica, Belgische School voor Psychoanalyse – Ecole Belge de Psychanalyse, ISPS ((International Society for Psychological and Social approaches to Psychosis), Lint

De Britse psychoanalyticus Winnicott die ons het concept ‘good enough mothering’ aanreikte, lanceerde ook het begrip ‘holding’(1) dat verwijst naar de meest basale laag van ons bestaan. In deze bijdrage blikt een psychiater, die het psychoanalytische gedachtegoed als belangrijke inspiratiebron hanteert, aan de hand van voorbeelden terug op haar meer dan 35- jarige klinische praktijk zowel in de residentiële alsook ambulante benadering voor mensen met een bipolaire gevoeligheid.

Archaïsche angsten alsook existentiële problemen zoals verlies, vergankelijkheid en de dood zijn thema’s die vaak achter de symptomatologie van de manie of de melancholie verscholen liggen. Binnen de overdrachts- tegenoverdrachtsrelatie wordt een ontmoetingsruimte gecreëerd waarbij de zorgverlener ontvankelijk is voor deze archaïsche angsten of existentiële problemen van de zorgvrager. Deze ontvankelijkheid is essentieel om de forische functie (2) te garanderen en gaat aan het spreken of de symbolisering vooraf, meer nog is een noodzakelijke voorwaarde om iets therapeutisch mogelijk te maken. Deze forische functie doet denken aan het concept van holding van Winnicott. Ritmering en continuïteit, zoals in de barokke passacaglia, bieden tijd en ruimte om iets te laten resoneren tussen zorgdrager en zorgvrager waardoor deze holding of forische functie kan worden gerealiseerd en een nieuwe ervaring kan ontstaan.

(1) Winnicott, D.W., 1960 The theory of the parent-infant relationship. International Journal of Psychoanalysis, 41, 585-595

(2) Delion, P., 2025 Rehumaniser la psychiatrie. Lezing gehouden op 15 maart 2025 in Brussel voor de Belgische School voor psychoanalyse (BSP)

“Je me berce dans ta voix” –aanraakbaarheid in de psychoanalytische kuur bij mensen met bipolaire gevoeligheid
Spreker(s): Smets Elyn, Master in de Klinische Psychologie, Postgraduaat Psychoanalytische Psychotherapie, geassocieerd lid BSP-EBP, Psycholoog-Psychotherapeut, Praktijk The Village, Belgische School voor Psychoanalyse – Ecole Belge de Psychanalyse, Wilsele

De uitdrukking “Je me berce dans ta voix” fungeert als klinisch-intuïtieve kern van deze bijdrage. Zij verwoordt een passief-actieve beweging waarin intimiteit ontstaat zonder fusie: de stem van de analyticus draagt niet louter betekenis over, maar ondersteunt een beweging. Aanraakbaarheid wordt hier niet begrepen als fysieke of emotionele nabijheid, maar als een ethische houding van ontvankelijkheid (1): de bereidheid om geraakt te worden zonder te sturen of te bezitten. De psychoanalytische kuur vormt bij uitstek een praktijk waarin deze aanraakbaarheid kan ontstaan, omdat spreken, luisteren en stilte er op een onvoorspelbare manier samenkomen. Analysanten beschrijven de werkzaamheid van analyse vaak niet in termen van inzicht of interpretatie, maar verwijzen naar ervaringen van ritme, toon, stilte of gedragen worden. Wat hen raakt, ligt zelden in de inhoud van wat gezegd wordt, maar in een pauze, een zinsnede, een stem die wiegt.

In zulke momenten verschijnt iets als een quasi-gift (2) zonder duidelijke oorsprong of eigenaar, die ruimte opent voor subjectivering. Intimiteit wordt hier opgevat als een niet-eigende resonantie, een structurele opening die beide partijen raakt. Met klinische vignetten illustreren we hoe stem, stilte en ritme binnen de analytische setting functioneren als dragers van zulke ontmoetingen en aanknopingspunten bieden voor de therapeutische praktijk.

(1) Wilfred R. Bion, 1962, Learning from experience, London, Heinemann.

(2) Jacques Derrida, 1992, Given Time: I. Counterfeit Money, Chicago, University of Chicago Press

 

 

SYMPOSIUM – S22
Verzet als ode aan het leven
Voorzitter: Onghena Jo, Master Psychologie, Psycholoog op Vallei – Langdurige zorg, Bethanië GGZ, Emmaüs, Zoersel

Deze bijdragen benaderen verzet binnen de geestelijke gezondheidszorg niet als storing, maar als een noodzakelijke voorwaarde voor subjectiviteit, verandering en institutionele vitaliteit. In een tijd van toenemende bureaucratisering en standaardisering wordt de “goede patiënt” vaak gelijkgesteld aan degene die zich conformeert. Tegen deze reductie onderzoeken de sprekers hoe verzet juist een derde ruimte opent tussen aanpassing en oppositie — een ruimte waarin onderhandeling, ambiguïteit en beweging mogelijk blijven.

Vanuit klinische praktijk, filosofische reflectie en postkoloniale theorie wordt zichtbaar hoe instituties fundamenteel veranderlijke plekken zijn, gevormd door de vragen en tegenbewegingen van de mensen die er toevlucht zoeken. Hun impliciete en expliciete verzet kan begrepen worden als epistemologisch: het onthult kennis over de machtsmechanismen van zorg en maakt zichtbaar wat doorgaans verborgen blijft. In plaats van deze weerstand te neutraliseren, pleiten de bijdragen voor het erkennen van verzet als een constitutief element van zorgrelaties.

Tegelijk verschuift de aandacht naar de micropraktijken die dit proces draaglijk maken: kleine verwonderingen, minimale verschuivingen en een mentale flexibiliteit die zorgverleners in staat stelt aanwezig te blijven in voortdurende instabiliteit. Verzet verschijnt zo niet enkel als breuk, maar als een zacht, dagelijks werk dat ruimte schept voor hybride identiteiten en nieuwe betekenissen.

Samen verdedigen deze perspectieven een zorgpraktijk die het onafgewerkte verdraagt en waarin patiënt en hulpverlener elkaar blijven ontmoeten als subject.

Mentale flexibiliteit en de kleine verwondering –  Een zacht verzet
Spreker(s): Smets Silke, Master Psychologie, Orthopedagogie, Sociotherapeut op Vallei – Langdurige zorg, Bethanië GGZ Emmaüs, Zoersel          

Een instituut, een zorgorganisatie, een plek waar mensen mogen toestuiken, is per definitie een chaotische plek. Een plek die voortdurend verandert. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Hoe moeilijk, vermoeiend of verwarrend dat soms ook is. Toch zijn we dat veranderen verplicht aan de mensen die bij ons aankomen, aan de plek die we willen verzorgen. Verandering is noodzakelijk. En tegelijk is ze diep menselijk. Mensen willen dingen anders zien dan voorzien, willen in vraag stellen hoe we het doen. En net de mensen die toestuiken, die toevlucht zoeken in een instituut, blinken daarin uit. Zij stellen scherpe, maatschappijkritische vragen. Vragen die vermoeien, die mijn hoofd soms doen tollen. Maar ze zijn ‘oh zo nodig’. Want wanneer een maatschappij hen uitspuwt omwille van hun vragen, is het aan ons om te luisteren. Naar hen met de goede vragen. Ik vraag me soms af waar mijn houvast ligt in al dat veranderen. Hoe ik het volhoud wanneer alles blijft verschuiven. En telkens opnieuw vind ik mijn antwoord in het kleine. Niet in de grootse omwentelingen of de spectaculaire momenten. Het zijn de kleine verwonderingen, de minieme verschuivingen, en een flinke portie mentale flexibiliteit die het mogelijk maken om te blijven zijn. Om aanwezig te blijven in een omgeving die voortdurend in beweging is. In deze bijdrage wordt nagedacht over verzet als motor van verandering in de geestelijke gezondheidszorg: vermoeiend, noodzakelijk, en gedragen door de kleine dingen die ons helpen standhouden.

Epistemologisch verzet in de psychiatrische hulpverlening
Spreker(s): Vandenberghe Agna, Master Psychologie, Antropologie, Sociotherapeut op Vallei – Langdurige zorg, Bethanië GGZ Emmaüs, Zoersel

Als klinisch psychologe en antropologe benader ik ‘verzet’ binnen de psychiatrische hulpverlening in dit symposium vanuit parallellen met postkoloniale theorieën.

Eerder dan te focussen op openlijk protest en expliciete resistentie, openen denkers als Bhabha (1995) en Scott (1990) een derde ruimte tussen verzet en inschikkelijkheid, die zich situeert in de ogenschijnlijke toegeeflijkheid ten aanzien van het hegemonisch discours. Zo situeert Bhabha de oppositionele macht in “haar dubbele visie die, door de ambivalentie van het koloniale discours te onthullen, ook haar autoriteit ontwricht” (p. 88).

Aan de hand van casussen uit de kort- en langdurige zorg, zal ik het impliciete verzet van patiënten kaderen als een vorm van ‘epistemologisch verzet’. Analoog aan de koloniale context, zijn machtsmechanismen in de psychiatrie bedoeld veelal onzichtbaar te zijn, om in het narratief van redelijkheid, goede intenties, en zorg ervaren te worden. Het — al dan niet subtiel, of zelfs speels — laten blijken van kennis over dit apparaat, kunnen we beschouwen als een vorm van verzet.

Deze redenering leidt tot het inzicht dat de patiënt niet enkel onderhevig is aan het psychiatrisch apparaat, maar dit ook voortdurend analyseert, negotieert, en via haar verzet de werking ervan ontkracht. Wederom parallel met postkoloniale theorieën, wordt zichtbaar hoe dit verzet functioneert als identiteitsvormgever, hetgeen in deze context als een hybride, gelaagd, en ambivalent proces beschouwd dient te worden.

Bhabha, H. K. (1994). The Location of Culture. Routledge.

Scott, J. (1990). Domination and the Arts of Resistance: Hidden Transcripts. New Haven: Yale University Press.

Verzet als derde ruimte
Spreker(s):
Declercq Maximez, Master Psychologie, Filosofie, Eerstelijnspsycholoog en begeleider in ontmoetingscentrum Den Teirling, Den Teirling, Elsene

Ten tijde van psychiatrische bureaucratisering, protocollering en standaardisatie, wordt verzet veelal gepercipieerd als nefast. De meeste opnames vereisen immers dat een patiënt gemotiveerd is om aan zichzelf te werken, wat in de praktijk maar al te vaak samenvalt met de eis om in de pas te lopen. Inderdaad, een goede patiënt zijn betekent vaak: de regels volgen.

Wat ik in deze voordracht zal argumenteren, is dat de creatie van ‘de goede patiënt’ echter de moord op het subject impliceert. ‘De goede patiënt’ is namelijk een opgelegde identiteit, of lacaniaans uitgedrukt, een gesimuleerd object waarmee het psychiatrisch meesterdiscours zichzelf affirmeert en legitimeert (Lacan, 1969-1970).

Om deze reden is het dan ook belangrijk om, tussen de binaire logica patiënt hulpverlener, een therapeutische ruimte te laten – en zelfs te scheppen – voor verzet. Dit is de geleefde ruimte die zich tussen de abstracties van de verticaliteit en de horizontaliteit bevindt. Wat Guattari (2015) ‘transversaliteit’ noemt, refereert immers

naar de leegte van waaruit open negotiatie ontstaat, en waarin de onbepaaldheid van de toekomst zich laat kennen. Zo zal de hulpverlener het beangstigende, onbegrijpelijke en oncontroleerbare karakter van diens existentie hier niet overdrachtelijk compenseren, maar accepteren. Want in de ruimte van het verzet is men niet enkel patiënt, maar wordt men continu subject.

Lacan, J. (1969-1970). Le Séminaire livre XVII. Seuil. Guattari, F. (2015). Psychoanalysis and transversality: Texts and interviews 1955-1971. The MIT Press.

Verzet als ode aan het leven: een kliniek van subjectivering
Spreker(s): Onghena Jo, Master Psychologie, Psycholoog op Vallei – Langdurige zorg, Bethanië GGZ Emmaüs, Zoersel

Binnen de psychiatrische context, impliceert dit dat de psychopathologie slechts begrepen kan worden als een defecte zorg voor het zelf in de tijd en/of de ander in de wereld, en dat de zorgverlener slechts authentiek handelt in zoverre deze iemand in leven houdt die hier niet meer langer zelf in slaagt. Zorg is dus geen product dat men levert vanuit winstoogmerk, maar een proces van existeren dat zich continu ontplooit in het

primordiaal er-mede-zijn.  Dit artikel herdenkt “verzet” niet als louter oppositionele daad, maar als een levensfunctie die de mogelijkheid tot subjectwording bewaart binnen klinische, institutionele en maatschappelijke kaders. Vanuit een psychoanalytisch-filosofisch perspectief wordt verzet opgevat als een ethiek van niet-toegeven of trouw blijven: een minimale maar beslissende beweging waarmee een subject zich onttrekt aan volledige reductie tot casus, symptoom of administratieve eenheid. In aansluiting bij Freud, Winnicott en Lacan verschijnt verzet als teken van vitaliteit — niet als weerstand tegen behandeling op zich, maar als poging een ruimte te vrijwaren waarin spreken, spel en verlangen kunnen ontstaan. Deze klinische dynamiek wordt vervolgens opgeschaald naar het niveau van de instelling. Met Foucault en de traditie van de institutionele psychotherapie wordt betoogd dat instellingen zowel subjectiverend als desubjectiverend werken, afhankelijk van hun vermogen openheid te organiseren. Waar protocollen en beheerslogica de klinische ruimte sluiten, verschijnt verzet als symptoom van een leven dat weigert volledig samen te vallen met zijn objectivering. Deze theoretische analyse wordt ondersteund door voorbeelden uit de dagelijkse klinische praktijk, waarin zichtbaar wordt hoe kleine vormen van verzet functioneren als concrete dragers van subjectivering.

 

 

SYMPOSIUM – S23
Psychiatrische zorg voor personen met verstandelijke beperking: samen op weg
Voorzitter
: Rigolle Saskia, Klinisch orthopedagoog, Therapeutisch coördinator, Zorggroep Guislain, Gent

De ondersteuning van personen met een verstandelijke beperking binnen de residentiële psychiatrie gaat vaak gepaard met gevoelens van onzekerheid en machteloosheid. Door te focussen op een nieuwe kijk, het aanpassen van de omgeving, gedeelde verantwoordelijkheid,  gezamenlijk eigenaarschap en creatieve samenwerkingsverbanden ontstaat ruimte voor meer draagkracht en inclusie. Binnen dit symposium worden interessante praktijkervaringen gedeeld.

S35.1 Ervaringen uit een gezamenlijke zoektocht binnen een residentiële behandelafdeling
Spreker(s): Laureys Suzan, Klinisch orthopedagoog, Klinisch orthopedagoog, Outreach De Steiger – Coverwerking CGG Schelde Dender Waas, Gent        

Storende, niet-aangepaste of ongewenste gedragingen worden vaak gelabeld als ‘stoornissen’, terwijl deze in essentie overlevingsstrategieën zijn die mensen hebben ontwikkeld in reactie op moeilijke of traumatische omstandigheden. Zo kunnen kenmerken van persoonlijkheidsstoornissen begrepen worden als diepgewortelde manieren om om te gaan met trauma, en ontstaan hechtingsproblemen vaak wanneer kinderen niet de veiligheid en verbondenheid ervaren die nodig zijn om zich gezond te ontwikkelen. Deze perspectiefverschuiving is bijzonder relevant voor mensen met een verstandelijke beperking, die extra kwetsbaar zijn voor traumatische ervaringen.

Het creëren van een traumasensitieve omgeving is daarom essentieel. De voorbije maanden gingen we samen met de collega’s van De Steiger (residentiële behandelafdeling) op zoek naar manieren om hun werking hier beter op af te stemmen. In deze presentatie nemen we jullie mee in dit traject: wat we leerden, welke inzichten we opdeden en hoe deze ons helpen om onze ondersteuning nog meer traumasensitief vorm te geven.

Eventuele opmerkingen: Co-spreker Katrien Van Lierde (Outreach De Steiger)

Bijzondere ontmoetingen
Spreker(s): Baisier Eva, Klinisch orthopedagoog, Zorginhoudelijk Coördinator, afdeling Knoop, Multiversum, Mortsel

In januari 2024 besloten Albe vzw (VAPH-voorziening, Kapellen) en De Knoop (psychiatrische zorg voor (jong)volwassen met een verstandelijke beperking, Mortsel) hun samenwerking te intensifiëren. Wij getuigen graag vanuit onze praktijkervaring over wat deze samenwerking inhoudt, met een focus gericht op enerzijds de bewegingen die gemaakt worden tussen de twee plaatsen en anderzijds de ontvangst van zowel de zorgverleners als de bewoners/patiënten in Albe vzw en De Knoop.

Wij geloven in de kracht van de “onthalende functie”: een menswaardige ontvangst die gedeeld wordt door personeel, familie, patiënten/bewoners en netwerk, en vanzelfsprekend verder reikt dan de inschrijving of aanmelding bij het “onthaal”.

Beide organisaties werken met een complexe en uitdagende doelgroep, binnen een maatschappelijk kader dat soms polarisatie en machteloosheid in de hand kan werken. Hoe blijf je onder de druk van toenemende bureaucratie en focus op financiering en efficiëntie elkaar toch oprecht ont-moeten? Hoe vinden we elkaar? Hoe kunnen we in verbinding blijven? En dit zowel op organisatieniveau, als teamniveau, als patiënt /bewoners-niveau.

Onze ervaring leert dat het een geïnteresseerde, nieuwsgierige houding vergt. Ook (of zeker?) als het gaat over de kleinste, meest alledaagse zaken. Met andere woorden: een cultuursensitieve zorg, waarin plaats gevrijwaard wordt voor het meest singuliere, het meest authentieke van elk van ons. Deze onthalende functie is cruciaal zowel binnen de individuele (gespreks)therapie die plaatsvindt in De Knoop voor de bewoners van Albe, maar zij staat evengoed centraal in Albe zelf en krijgt daar een collectieve vorm.

Eva Baisier & Faust Eeckhout brengen verhalen over deze bijzondere ontmoetingen.

Eventuele opmerkingen: Co-spreker: Faust Eeckhout (Albe – VAPH)

Samen bouwen: een leefgroep die iedereen meeneemt. Een blik uit de praktijk
Spreker(s): Van Gastel Ellen, Klinisch orthopedagoog, Coördinator afdeling GAUZZ, GAUZZ – Multiversum, Mortsel

Vanuit onze praktijkervaring schetsen we hoe we als leidinggevenden op een residentiële afdeling willen inzetten op verbinding en gedeelde verantwoordelijkheid, met als gemeenschappelijk doel: kwaliteitsvolle zorg en behandeling voor patiënten met een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek/gedragsproblemen. We nemen jullie graag mee in onze visie op het werken met complexe casussen, de impact die dit kan hebben op een team en hoe we hier als leefgroepwerking proberen mee om te gaan.

Eventuele opmerkingen: Co-sprekers: Yentl Demeyer (Coördinator afdeling Knoop, multiversum) en Pieter Schoors (Coördinator afdeling Knoop, multiversum)

Versterken van participatie en eigenaarschap bij patiënten met een verstandelijke beperking tijdens opname: kansen, uitdagingen en inzichten uit onderzoek en praktijk
Spreker(s): Rigolle Saskia, Klinisch orthopedagoog, Therapeutisch coördinator, De Steiger – Zorggroep Guislain, Gent

In deze presentatie worden praktijkvoorbeelden gedeeld die op de afdeling De Steiger (Zorggroep Guislain) worden toegepast om patiënten meer te betrekken bij hun eigen zorgtraject. Daarnaast wordt ingegaan op een lopend onderzoek rond ‘overdracht aan bed’. De onderzoeksopzet en tussentijdse resultaten worden toegelicht, samen met de concrete implementatie, de structuur van zo’n overdracht en de voordelen en uitdagingen die hulpverleners tot nu toe ervaren.

 

SYMPOSIUM – S24
Complexiteit aan de poort: aanmeldingen en indicatiestelling in de geestelijke gezondheidszorg
Voorzitter: Ameye Gino, Master klinische psychologie, Therapeutisch directeur, Karus, Melle

 Dit symposium zoomt in op verschillende deelaspecten van de aanmeldingen en indicatiestelling in de ggz en stelt vernieuwende benaderingen voor waarbij het gebruik van innovatieve technologie (zoals artificiële intelligentie) een meerwaarde kan zijn. Volgende deelaspecten komen aan bod:

– We zoemen in op het belang van een goede indicatiestelling in het licht van de public health benadering. Wanneer we zorgvragers sneller op de juiste plek krijgen, is het aannemelijk dat klachten vlotter verholpen worden en wachtlijsten verminderen.

– Via de innovatieve middelen van de federale overheid is een aanmeldplatform – ‘Mentalink’ – ontwikkeld; het is een AI-gestuurd platform waar zorgvragers en verwijzers hun vraag kunnen stellen en waarbij het platform – via een getrainde chatbot – voorstellen doet voor een gepast aanbod.

– Online chat voor jongeren biedt mogelijkheden om het psychisch lijden tijdig te herkennen en door te verwijzen naar passende zorg.

– De ggz beschikt over onvoldoende of geen afgestemde data om de zorgnoden die er maatschappelijk zijn in kaart te brengen. In dit deel stellen we een geharmoniseerde  ‘aanmeldbibliotheek’ voor wetenschappelijk en in het werkveld afgetoetst.

Indicatiestelling vanuit pmh perspectief
Spreker(s): Van den Broeck Kris, Doctor, Professor Psychische Gezondheid & Zorg | Mental Health(care), Universiteit Antwerpen, Antwerpen

 De public mental health- of populatiegerichte benadering van geestelijke gezondheid is een relatief nieuw concept in de internationale literatuur. Ze verlegt de focus van individuele zorgtrajecten naar het organiseren van geestelijke gezondheidszorg voor een afgebakende populatie (regio), met aandacht voor preventie, sociale determinanten / kwetsbaarheidsfactoren, toegankelijkheid en efficiënt gebruik van schaarse middelen. Binnen deze benadering krijgt zorgorganisatie een expliciete plaats naast klinische besluitvorming.

Indicatiestelling – welke zorg is er nu het meest aangewezen voor deze zorgvrager? – is daarbij een essentiële schakel. Helaas verloopt dit proces in de praktijk vaak fragmentarisch en contextafhankelijk, wat kan leiden tot mismatches tussen zorgvraag en -aanbod, vertraagde toeleiding en ondoelmatig gebruik van zorgcapaciteit.

In deze conceptuele bijdrage staan we stil bij de rol van de indicatiestelling binnen een populatiegerichte ggz. We belichten hoe de indicatiestelling kan bijdragen aan een meer gepaste zorgtoewijzing en hoe zij – ten minste theoretisch – samenhangt met vraagstukken rond wachttijden en zorgorganisatie, zonder daarbij de klinische complexiteit of professionele autonomie te reduceren.

Mentalink, een ‘slim’ digitaal aanmeldplatform. Kan dit de instroom in de geestelijke gezondheidszorg stroomlijnen?
Spreker(s): Ameye Gino, Master klinisch psychologie, Therapeutisch directeur, Karus, Melle

De moeizame zoektocht naar geschikte hulp in de geestelijke gezondheidszorg leidt tot aanmeldingen bij verschillende zorgaanbieders. Dit resulteert in registratie op verschillende wachtlijsten, (tot vervelens toe) meermaals het eigen verhaal brengen, zonder enige garantie op gepaste hulp. Vanuit het perspectief van de zorgaanbieder investeren we heel veel energie in het beluisteren en registreren van vragen, zonder afstemming tussen de zorgactoren. Kan het anders?

Met Mentalink is een digitaal aanmeldplatform ontwikkeld (een minimum viable product) op basis van artificiële intelligentie. Iedereen kan zich aanmelden. Via een getrainde chatbot wordt de vraag verkend, indien wenselijk, gescreend en wordt een dossier samengesteld. Op basis daarvan, mits identificatie, worden voorstellen van zorg geformuleerd. Het is aan de zorgaanbieder om de vraag verder te behartigen.

Mentalink kan een verbindende technologie aanreiken om aanmeldingen in de ggz op elkaar af te stemmen waardoor de zorgvrager of doorverwijzer maar één keer zijn of haar verhaal moet doen. Dit vergt een governance om de aanmeldingen te beheren en dit kan maar slagen als er voldoende bereidwilligheid van de zorgactoren. De mate van en de wijze waarop de opschaling gebeurt is bepalend om van Mentalink een overkoepelend aanmeldplatform te maken.

Online chat hulpverlening als brugfunctie in het Vlaamse geestelijke gezondheidslandschap voor jongeren
Spreker(s): Dewaele Alexis, Doctor, Associate professor at Ghent University,Department of Experimental Clinical and Health Psychology, Faculty of Psychology and Educational Sciences, Ugent, Gent

Jongeren in Vlaanderen ervaren toenemende psychische uitdagingen, terwijl traditionele GGZ-routes vaak pas ingrijpen bij ernstigere klachten of na langdurige wachttijden. Online chat hulpverlening – anoniem, laagdrempelig en afgestemd op de digitale leefwereld van jongeren – kan als vroege ingang dienen in het bredere hulpverleningslandschap. Internationale experts zien de breed inzetbare Online Counselling Chat Services (OCCS) als waardevolle laagdrempelige ondersteuning die jongeren bereikt vóórdat zij formele zorg zoeken of crisisinterventie nodig is. OCCS zijn ontworpen om een eerste luisterend oor te bieden, signalen van psychisch lijden te herkennen en effectief te kunnen doorverwijzen naar passende zorg, bijvoorbeeld naar school-, CLB-, eerstelijnspsychologische of gespecialiseerde GGZ-trajecten.

In de praktijk worden via chat uiteenlopende thema’s aangekaart, zoals stress, depressieve gevoelens, relatieproblemen, identiteit, pesten, middelengebruik of acute noodsituaties, wat duidt op een brede rol in klachtenanalyse en vroegsignalering. Door de combinatie van anonieme toegankelijkheid en real-time interactie ervaren veel jongeren meer regie over hun hulpvraag, wat drempels rond stigma en hulpzoeken verlaagt.

Hoewel integratie met formele zorgsystemen en evaluatiepraktijken nog in ontwikkeling zijn, tonen stakeholders dat deze diensten belangrijke brugfuncties vervullen binnen een geïntegreerd Vlaams zorglandschap: ze versterken vroeginterventie, verbeteren de zichtbaarheid van onbegrepen klachten bij jongeren en optimaliseren doorverwijzingsmogelijkheden richting reguliere GGZ-zorg.

Zorgvragen in kaart: aanmeldklachten in de GGZ harmoniseren om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen
Spreker(s): Deckx Laura, Doctor, Health Care consultant, Möbius, Sint-Martens-Latem

De GGZ kampt met aanhoudende wachtlijsten en een versnipperd zorglandschap. Voor zorgvragers is het moeilijk om het juiste aanbod te vinden (waar tools zoals Mentalink op inspelen), maar ook voor netwerken en beleidsmakers blijft het uitdagend om het aanbod beter te laten aansluiten op de vraag. Een belangrijke oorzaak is dat de zorgvraag bij aanmelding vandaag onvoldoende uniform en betrouwbaar in beeld wordt gebracht: instellingen registreren aanmeldklachten op uiteenlopende manieren, waardoor gegevens moeilijk vergelijkbaar en herbruikbaar zijn. Dataverzameling focust bovendien nog te vaak op “wat is er gebeurd” in plaats van “wat is er nodig”.

Dit project ontwikkelt een gedeelde, herbruikbare minimale gegevensset rond zorgvragen op netwerk- en instellingsniveau. Eerst mappen we lokale registraties naar een eerste, data-gedreven gemeenschappelijke set aanmeldklachten. Daarna trianguleren we deze met bestaande kaders en instrumenten (o.a. BelRAI GGZ, minimale psychiatrische gegevens, HoNOS, CANSAS, … ) en toetsen we de resultaten af met betrokken GGZ-instellingen en academische experten. Vervolgens werken we uit hoe de informatie veilig en praktisch kan worden uitgewisseld over instellingen heen, met minimale lokale impact en maximale uniformiteit. Tot slot ontwikkelen we rapportering en feedbackloops om de aanpak iteratief te verbeteren. De aanpak is aanvullend op bestaande initiatieven en we focussen op schaalbaarheid naar andere GGZ-netwerken. We willen komen tot een minimale gedeelde dataset, een helder en vergelijkbaar beeld van de zorgvraag en een solide basis voor netwerk- en beleidsrapportering.

 

SYMPOSIUM – S25
Van machteloosheid naar hoop. Hoe een palliatieve benadering weer kansen geeft
Voorzitter: De Lepeleire Jan, Huisarts, Hoogleraar, Palliatieve Zorg Vlaanderen, Vilvoorde

Patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen bevinden zich vaak in een complexe situatie waar curatieve behandeling geen verbetering meer biedt en existentieel lijden centraal komt te staan. Dit symposium verkent hoe een palliatieve benadering binnen de geestelijke gezondheidszorg nieuwe perspectieven en hoop kan bieden, zowel voor patiënten als zorgverleners.

Doel van dit symposium is om zorgverleners handvatten te bieden om van een gevoel van machteloosheid naar actieve, waardige begeleiding te evolueren, waarbij kwaliteit van leven en existentiële ondersteuning vooropstaan.

Inleidend kader palliatieve zorg en psychiatrie
Spreker(s): Haekens An, Psychiater, Hoofdarts, Evara, Tienen

 Het programma start met een inleidend kader door Dr An Haekens waarin we de specifieke doelgroepen toelichten die zich op het kruispunt van psychiatrie en palliatieve zorg bevinden, zoals deze onderwerp van gesprek waren binnen de Werkgroep Psychiatrie en Palliatieve zorg binnen ‘Palliatieve Zorg Vlaanderen’ en middels een narratieve literatuurreview werd gedocumenteerd.

Moureau, L. (2024). Levenseindezorg en GGZ: naar meer conceptuele helderheid. Tijdschrift voor Psychiatrie, 66(4), 213–216.

Existentiële benadering in de psychiatrie
Spreker(s): Sabbe Bernard, Psychiater, Hoogleraar, U Antwerpen, Antwerpen

Wij gaan dieper in op het (nieuwe) interactief – gelaagd model in zeven niveaus voor het begrijpen van psychiatrische aandoeningen, zoals uitgewerkt in de laatste editie van het Leerboek Psychiatrie. Als reactie op reductionistische modellen, met een sterke nadruk op biologische verklaringen voor psychiatrische aandoeningen, is een toenemende interesse ontstaan voor integratieve benaderingen zoals de Algemene Systeem Theorie, en complexiteits- en netwerk theorieën. Bij psychiatrische aandoeningen spelen unieke interacties tussen biologische, psychologische sociale en existentiële factoren een rol. Het existentiële en ethische niveau, één van de pijlers van de palliatieve benadering, wordt besproken als het hoogste niveau van dit gelaagde model.

Sabbe, B., & Giltay, E. (2024). Psychopathologie als zelforganisatie van complexe dynamische systemen. Tijdschr Psychiatr, 66(5), 259_264.

Van Balkom, T., Claes, S., Oosterbaan, D., & Sabbe, B. (2025). Leerboek Psychiatrie. Vierde, geheel herziene druk. Amsterdam: Boom Uitgevers BV/De Tijdstroom.

Casuïstiek uit de praktijk van Pallion
Spreker(s): Fonteyne Riet, Psycholoog, PhD, Staflid Pallion, Pallion, Hasselt

Voortbouwend op de theoretische fundering van de vorige sprekers worden concrete praktijkvoorbeelden en moeilijkheden besproken. Dr.Riet Fonteyne  brengt vanuit het Limburgse netwerk Pallion een inkijk in de groeiende vragen waarmee huisartsen geconfronteerd worden rond euthanasie omwille van psychisch lijden. In deze bijdrage wordt toegelicht hoe Pallion inspeelt op de noden van zorgpartners in samenwerking met de GGZ-netwerken, en welke kansen en uitdagingen zich daarbij aandienen

S26.4 Reakiro, een vrijplaats voor wie ondraaglijk psychisch lijdt en een langdurige doodswens heeft
Spreker(s): Vandenberghe Joris, Psychiater, Hoogleraar, UPC KU Leuven en Reakiro, Leuven

Mensen met een langdurige doodswens en ondraaglijk lijden aan een psychiatrische aandoening bevinden zich vaak in een broos spanningsveld tussen leven en dood. Verbinding met zichzelf, met anderen en met de wereld is vaak verzwakt of verloren, waardoor sterven de enige uitweg lijkt, met chronische suïcidaliteit, een euthanasievraag of beide. Vanuit een innovatief zorgmodel wil Reakiro, een inloop-, expertise- en begeleidingscentrum,  het  spanningsveld tussen leven en dood verkennen. In co-creatie bieden vrijwilligers, ervaringsdeskundigen en andere hulpverleners een vrijplaats voor deze mensen en hun naasten, vanuit een palliatieve, existentiële en presentiegerichte benadering. Door de doodswens ernstig te nemen, ontstaat ruimte voor een gedeeld en dialogisch begrijpen van de verhouding tot leven en dood, in al zijn gelaagdheid en ambivalentie. Door niet-oordelend nabij te blijven, en het spoor van de dood én van het leven open te houden, kan er soms opnieuw fragiele rust, helderheid, verbinding of herstel ontstaan. Soms wordt echter een doorleefde authentieke doodswens steeds eenduidiger, en dan begeleidt Reakiro in loslaten en afscheid nemen. Op basis van zes jaar klinische ervaring en onderzoek wil deze bijdrage de ggz inspireren hoe afgestemde zorg te bieden voor mensen met een langdurige doodswens. Relationele presentie bij de persoon die lijdt, diens leefwereld en wat nog betekenisvol is, kan hoop herdefiniëren: niet als belofte op herstel, maar als mogelijks opnieuw broze verbinding en voorzichtig perspectief ervaren, zelfs in de schaduw van ondraaglijk lijden.

Verdegem, S., Rens, A., Vandenberghe, J., Dezutter, J., Vanhie, T., Bemelmans, L., & Vanhooren, S. (2025). Relating to life and death a qualitative study of individuals with a long-lasting death wish related to unbearable psychiatric suffering. Int J Qual Stud Health Well-being, 20(1), 2469361. doi:10.1080/17482631.2025.2469361

S26.5 Crustatieve zorg/Oyster Care: een update
Spreker(s): Decorte Ilse, Huisarts, Palliatief  arts, OPZ Geel, Jesse Ziekenhiuis- Ispahan, Geel

Tenslotte wordt ingegaan op “Crustatieve zorg”, als vorm van ‘palliatieve’ zorg voor de meest kwetsbare patiënten met een EPPA- profiel, een zorgbenadering die in Vlaanderen ontwikkeld werd. Sinds de basispublicatie werd er verder gewerkt aan de ontwikkeling  ervan. We leggen het model uit aan de hand van de wetenschappelijke monitor die Caressa Van Hoe (U Gent en Forum Crustatieve zorg (www.crustatievezorg.be )) heeft ontwikkeld en belichten de nieuwste nationale en  internationale ontwikkelingen en studies.

Van Hoe, C., Moureau, L., Leemans, K., Decorte, I., Voskes, Y., Beirnaert, L., . . . Chambaere, K. (2026). Ensuring high quality Oyster Care for people experiencing severe and persistent mental illness–A three-phase development of a quality monitoring tool. Community Mental Health Journal, in press. doi:10.21203/rs.3.rs-7545849/v1

Decorte, I., Verfaillie, F., Moureau, L., Meynendonckx, S., Van Ballaer, K., De Geest, I., & Liégeois, A. (2020). Oyster Care: An Innovative Palliative Approach towards SPMI Patients. Frontiers in Psychiatry, 11. doi:https://doi.org/10.3389/fpsyt.2020.00509

 

 

 

SYMPOSIUM – S26
Seksuologie: een veelzijdige discipline
Voorzitter: Dieltjens Sofie, Seksuoloog, Klinisch Seksuoloog/Voorzitter VVS, Sofie Dieltjens, Lier

Seksuologie is een relatief “jonge” discipline binnen de menswetenschappen en richt zich op de evolutie en maatschappelijke positionering van seksualiteit en relaties. Het biopsychosociaal model vormt hierbij het centrale theoretische kader en onderstreept de meerwaarde van seksuologie als autonome discipline binnen de geestelijke gezondheidszorg.

Seksuologen leveren op verschillende niveaus en via diverse werkwijzen een betekenisvolle bijdrage aan een kwalitatieve geestelijke gezondheidszorg. Op klinisch vlak zijn zij actief in diagnostiek, begeleiding en behandeling, doorgaans ingebed in multidisciplinaire samenwerkingsverbanden. Daarnaast speelt seksuologie een belangrijke rol op organisatieniveau, onder meer door het mee vormgeven van beleidskaders rond seksualiteit en relaties. Ook binnen het wetenschappelijk onderzoek genereert seksuologisch onderzoek relevante data die bijdragen aan uiteenlopende vraagstukken. Tot slot dragen seksuologen bij aan relationele en seksuele vorming in diverse contexten.

In dit symposium brengen we seksuologen samen die vanuit hun seksuologische achtergrond actief zijn binnen verschillende werkvelden, waaronder de klinische praktijk, beleid, onderzoek en vorming. Door deze perspectieven met elkaar te verbinden, beoogt het symposium inzicht te bieden in de brede en interdisciplinaire meerwaarde van seksuologie binnen de hedendaagse samenleving en de geestelijke gezondheidszorg

S36.1 Seksueel welzijn van jongeren ten tijde van wijdverspreid pornografie gebruik
Spreker(s): Geuens Sam, Seksuoloog, Seksuoloog, PXL, Heusden-Zolder

Wanneer seksualiteit ernstig wordt genomen als een integraal onderdeel van gezondheid en welzijn, en wanneer zorgpraktijken evidence-based behoren te zijn, vloeit daar een duidelijke morele en maatschappelijke plicht uit voort om degelijk seksonderzoek te verrichten. Dit geldt des te meer voor thema’s die zelfs binnen academische en klinische contexten als gevoelig of beladen worden ervaren, zoals pornografie. De huidige wetenschappelijke literatuur over de impact van pornogebruik wordt nog te vaak gekenmerkt door ideologisch gekleurde posities (pro of contra) en door een beperkte empirische onderbouwing. Hierdoor ontbreekt een genuanceerd, geïntegreerd inzicht in de complexe relatie tussen pornogebruik en seksueel welzijn.

Het SWYPPe-project (Sexual Wellbeing of Young People in times of widespread Pornography & usE) beoogt deze kennislacune systematisch te verkleinen. Vertrekkend vanuit een expliciet neutraal en niet-normatief onderzoek standpunt onderzoekt SWYPPe het seksueel welzijn van jongeren in Vlaanderen in een context van wijdverspreid en vroeg pornogebruik. Op bevolkingsschaal wordt in kaart gebracht hoe jongeren hun seksueel welzijn ervaren, en welke rol pornografie als maatschappelijk fenomeen daarin al dan niet speelt.

Daarnaast heeft SWYPPe een duidelijke valorisatie-ambitie. Door beter te begrijpen wat ouders kan ondersteunen in gesprekken met hun kinderen over seksueel welzijn en pornografie, worden concrete tools ontwikkeld om communicatie binnen gezinnen te versterken. Parallel hieraan richt het project zich op de schoolcontext via de ontwikkeling van programma’s rond pornogeletterdheid, ingebed in een bredere visie op positieve seksuele ontwikkeling in een geseksualiseerde samenleving.

Ten slotte wil SWYPPe bijdragen aan de klinische praktijk door zorgprofessionals—waaronder artsen, psychologen en seksuologen, etc. —te voorzien van empirisch onderbouwde inzichten. Dit moet toelaten om behandelplannen voor seksuele moeilijkheden beter af te stemmen op de complexe en contextuele verwevenheid tussen pornogebruik en seksueel welzijn.

Seksuologie en logopedie: spreekt voor zich
Spreker(s): Eben Ann, Seksuologie, Seksuologe, Zelfstandige seksuologie,Hasselt        

Binnen de geestelijke gezondheidszorg wordt steeds duidelijker dat vragen rond identiteit, lichaam, expressie en relaties niet binnen één discipline te vatten zijn. Zeker in contexten zoals de genderzorg vraagt begeleiding om een geïntegreerde en interdisciplinaire benadering. In deze lezing stellen we The Person Behind the Voice voor: een interdisciplinair model ontwikkeld vanuit de samenwerking tussen seksuologie en logopedie. Het model vertrekt vanuit een biopsychosociaal perspectief en benadrukt dat de stem niet louter een functioneel instrument is maar onlosmakelijk verbonden is met identiteit, lichaamsbeleving, zelfbeeld en relationele afstemming. Aan de hand van een klinisch praktijkvoorbeeld uit de genderzorg tonen we hoe dit model hulpverleners ondersteunt om voorbij symptoomgerichte vragen te kijken en ruimte te maken voor de persoon achter de stem. Deze lezing richt zich tot een breed GGZ-publiek en nodigt uit tot reflectie over hoe interdisciplinaire modellen zoals The Person Behind the Voice kunnen bijdragen aan meer afgestemde, mensgerichte en kwalitatieve zorg.

Seksuologie en beleid
Spreker(s): Eens Isabelle, Seksuoloog, Netwerkcoördinator internering, Netwerk Internering

Seksueel en relationeel welzijn is een essentieel maar vaak nog onderbelicht onderdeel van herstelgerichte GGZ. In deze sessie tonen we hoe organisaties dit thema concreet kunnen verankeren in hun beleid — zonder zware trajecten of dikke beleidsnota’s. Vertrekkend vanuit herkenbare praktijkvoorbeelden maken we zichtbaar waar het vandaag vaak stil blijft, en wat dat betekent voor cliënten. We stellen een praktisch bruikbaar 4-niveausmodel (individu, team, organisatie, cultuur) voor dat direct toepasbaar is binnen verschillende GGZ-contexten. De focus ligt op kansen, kwaliteit van leven en eigen regie – en niet op preventie van incidenten of aanpak grensoverschrijdend gedrag.

De sessie combineert reflectie met praktische tools om de dag nadien al uit te voeren. Zo wordt seksualiteitsbeleid geen abstract document, maar een werkbaar kader voor dagelijks handelen. Het doel is professionals te versterken in hun rol en organisaties te ondersteunen in het structureel integreren van seksueel en relationeel welzijn.

Seks, drug & rock ’n roll?
Spreker(s): Janssens Jasper, Master sociaal werk, master Seksuologie, Stafmedewerker VAD, zelfstandig seksuoloog, VAD, Brussel

Reeds in 1977 zong Ian Dury “sex, drugs & rock & roll”. Het gebruik van roesmiddelen en seksualiteit worden al eeuwen met elkaar verbonden. Soms gaan mensen hier bewust naar op zoek. De laatste jaren is er bijvoorbeeld veel aandacht voor chemsex. Roesmiddelen hebben een invloed op de seksualiteitsbeleving. Mensen voelen zich sneller aangetrokken of opgewonden, remmingen vallen weg en seksualiteit wordt intenser beleefd.

Tegelijk weten we dat bepaalde roesmiddelen ook een domper op de feestvreugde kunnen zijn. Zo kunnen erectieproblemen optreden of blijft een orgasme uit. Wat begint als “een drankje om in de mood te komen”, kan bij overmatig gebruik de seksuele beleving ondermijnen. Dit kan bovendien gepaard gaan met grensoverschrijdend seksueel gedrag, zowel in termen van daderschap als slachtofferschap.

Wat dan met het verslavende potentieel van roesmiddelen? En werkt seks ook verslavend? Bestaat er zoiets als seks- of pornoverslaving? Het zijn allemaal thema’s en vraagstukken waarbij seksualiteit samenhangt met middelengebruik en/of verslaving. In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de verschillende manieren waarop middelengebruik, verslaving en seksualiteit met elkaar kunnen interageren. Daarbij wordt toegelicht waarom het relevant is om binnen de seksuologische praktijk aandacht te hebben voor middelengebruik en verslaving. Omgekeerd is het ook belangrijk om in de verslavingszorg ruimte te maken voor het bespreken van seksualiteit. Zorgt de combinatie van seks en drugs ook werkelijk voor rock-’n-roll?

 

 

SYMPOSIUM – S27
Intersectorale en interdisciplinaire samenwerking met actoren binnen en buiten de GGZ ter bevordering van de toegankelijkheid en de kwaliteit van de GGZ
Voorzitter
: De Cuyper Kathleen, Klinisch psycholoog, PhD, Onderzoeksmanager, LUCAS KU Leuven – Centrum voor Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven

De geestelijke gezondheidszorg (GGZ) staat onder druk door toenemende zorgnoden, complexere hulpvragen en hardnekkige ongelijkheden in toegang en continuïteit van zorg. Deze uitdagingen overstijgen de grenzen van individuele organisaties en sectoren, en vragen om doordachte vormen van intersectorale en interdisciplinaire samenwerking. Dit symposium brengt vier complementaire bijdragen samen vanuit LUCAS KU Leuven, die elk vanuit een ander perspectief ingaan op samenwerking binnen en met de GGZ, met als gemeenschappelijke focus het versterken van toegankelijkheid en kwaliteit van zorg.

De bijdragen behandelen samenwerking op verschillende niveaus: (1) intersectorale samenwerking binnen GGZ-netwerken voor volwassenen, (2) structurele samenwerking tussen jeugdzorg en GGZ in de transitieleeftijd, (3) GGZ in de ouderenzorg, en (4) de rol van ervaringsdeskundigen binnen hybride zorgmodellen in de GGZ. Samen tonen zij hoe samenwerking vorm krijgt in uiteenlopende contexten, welke meerwaarde zij kan creëren voor kwetsbare doelgroepen, en welke organisatorische, culturele en epistemische spanningen daarbij optreden. Het symposium maakt zichtbaar dat samenwerking geen louter technische of organisatorische oefening is, maar een dynamisch proces waarin verschillen tussen sectoren, disciplines en kennisvormen constructief dienen te worden ingezet. Door praktijkvoorbeelden te verbinden met onderzoek biedt het symposium inzicht in de voorwaarden voor duurzame samenwerking en geïntegreerde GGZ, afgestemd op de noden van de mensen. Met dit symposium willen we zorgprofessionals en andere onderzoekers inspireren, en leren uit hun ervaringen

Het bevorderen van toegankelijkheid door intersectorale samenwerking op het niveau van GGZ-netwerken voor volwassenen
Spreker(s):
Rens Eva, Onderzoekspsycholoog, PhD, Wetenschappelijk medewerker, LUCAS KU Leuven – Centrum voor Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven

 Deze studie had als doel te onderzoeken hoe intersectorale samenwerking de toegankelijkheid van de GGZ kan verbeteren, in welke mate Vlaamse GGZ-netwerken voor volwassenen en ouderen hier vandaag op inzetten, en wat hiervoor succesfactoren zijn. De studie combineerde een literatuuronderzoek en focusgroepen met netwerkcoördinatoren en samenwerkingspartners uit diverse zorg- en welzijnssectoren. Vier kerncomponenten van gedeelde zorg werden geïdentificeerd: geïntegreerde GGZ met zorgcoördinatie en casemanagement, centrale aanmeldpunten met patiëntnavigatie, samenwerking met actoren buiten de zorgsector (o.a. buurtcentra), en gedeelde verantwoordelijkheid voor underserved doelgroepen. Het onderzoek toont aan dat GGZ-netwerken elk op hun eigen manier inzetten op intersectorale samenwerking (bv. ‘Kruispunten’, netwerktafels, dedicated teams voor specifieke doelgroepen), op basis van bottom-up noden en goodwill, maar dat structurele verankering vaak ontbreekt. Hefbomen voor het verbeteren van de (intersectorale) samenwerking om gedeelde zorg duurzaam te verankeren en de toegankelijkheid van de GGZ te verbeteren bevinden zich op vijf domeinen: (1) gemeenschappelijke doelen formuleren, (2) werken aan wederzijds vertrouwen, (3) formalisatie van verantwoordelijkheden en processen via duidelijke kaders, (4) beleidsmatige afstemming en verankering van geïntegreerde zorg, en (5) stimulerende financieringsmechanismen vanuit de overheden.

Rens, E., Van den Cruyce, N., De Cuyper, K., Hermans, K. (2025). Het bevorderen van de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg via (intersectorale) samenwerking in de geestelijke gezondheidsnetwerken voor volwassenen en ouderen. Leuven: Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.”

Overbruggen+: Kruisen van expertise als hefboom voor duurzame samenwerking tussen Jeugdzorg en GGZ
Spreker(s):
Raymaekers Anna, Master in Sociaal Werk, Wetenschappelijk medewerker, LUCAS KU Leuven – Centrum voor Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven

Samenwerking tussen geestelijke gezondheidszorg en jeugdzorg is essentieel om kwalitatieve hulpverlening te bieden aan jongeren in transitieleeftijd en hun context, wanneer zij vastlopen in hun ontwikkeling door ernstig psychisch lijden. Jeugdzorg Emmaüs en het psychiatrisch ziekenhuis Bethanië hebben de afgelopen jaren herhaaldelijk samengewerkt op casusniveau. Deze samenwerking berust momenteel op informele contacten en een niet-geformaliseerde afstemming tussen professionals. Het participatief actieonderzoek “Overbruggen+” heeft daarom de ambitie om de samenwerking tussen jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg structureel te verankeren binnen de betrokken organisaties.

Via literatuuronderzoek, kwantitatieve en kwalitatieve casusverzameling, bevragingen van jongeren en professionals willen we (1) meer inzicht verwerven in de zorgbehoeften van jongvolwassenen met complexe noden; (2) onderzoeken welke werkzame factoren bijdragen aan hun begeleiding binnen een intersectoraal samenwerkingsmodel; en (3) nodige (rand)voorwaarden in kaart brengen voor een duurzaam en structureel samenwerkingsmodel. Op die manier willen we continuïteit en kwaliteit garanderen in trajecten die vandaag vaak vastlopen bij jongeren uit de jeugdzorg in de overgang naar volwassenenhulpverlening.

We stellen graag onze praktijkgerichte werkwijze voor, waarbij we inzetten op het gelijkwaardig kruisen van verschillende kennisvormen om onze doelstellingen te realiseren. Daarnaast presenteren we de resultaten van de eerste onderzoekscyclus van het afgelopen jaar.

Bevorderende en belemmerende factoren voor geestelijke gezondheidszorg in de ouderenzorg
Spreker(s):
Declercq Anja, Socioloog, PhD, Directeur , LUCAS KU Leuven – Centrum voor Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven

Volgens de Preventiebarometer Geestelijke Gezondheid van Sciensano geeft de Vlaamse bevolking aan dat een goede lichamelijke gezondheid, familie of goede vrienden hebben om problemen mee te bespreken, en controle hebben over je eigen leven een belangrijke bijdrage leveren aan de mentale gezondheid. Naarmate we ouder worden, stijgt de kans op lichamelijke problemen en op eenzaamheid, onder meer door het overlijden van de partner en goede vrienden. Tegelijk toont de Belgische Gezondheidsenquête dat ouderen minder geneigd zijn om psychische hulp te zoeken, maar wel vaak psychotrope geneesmiddelen gebruiken. De hoogste prevalentie van suicide vinden we bij mannen ouder dan 75 jaar.

Hulpverleners in de thuiszorg en in de residentiële ouderenzorg worden bijgevolg vaak geconfronteerd met oudere cliënten, patiënten en bewoners met een psychische zorgnood, maar beschikken niet steeds over de nodige expertise. Bij gebrek aan een structurele oplossing, zien we dat her en der lokale samenwerkingsinitiatieven ontstaan waarbij bijvoorbeeld vanuit een psychiatrisch ziekenhuis outreachend wordt gewerkt naar woonzorgcentra toe, coaching wordt voorzien voor verzorgenden in de thuiszorg of afspraken worden gemaakt voor ondersteuning door een psychiater in een woonzorgcentrum. In deze presentatie gaan we in op bevorderende en belemmerende factoren voor geestelijke gezondheidszorg in de ouderenzorg en kijken we welke structurele oplossingen nodig zijn.

Hybridisering van zorg in de GGZ: ervaringsdeskundigheid als organisatorische uitdaging
Spreker(s):
Van den Cruyce Nele, Socioloog, PhD, Onderzoeksmanager, LUCAS KU Leuven – Centrum voor Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven

De geestelijke gezondheidszorg staat onder druk door toenemende zorgnoden, groeiende ongelijkheden en een blijvende vraag naar meer toegankelijke en mensgerichte zorg. In deze context wint de inzet van ervaringsdeskundigen aan belang. Hun toenemende betrokkenheid markeert een verschuiving van participatie op beleids- en organisatieniveau naar co-creatie in de dagelijkse zorgpraktijk.

In deze bijdrage staan we stil bij het concept van hybridisering van zorg, waarbij professionele en ervaringskennis samenkomen binnen GGZ-organisaties en -netwerken. Op basis van lopend en recent onderzoek verkennen we welke rollen ervaringsdeskundigen opnemen, welke meerwaarde zij (kunnen) creëren voor toegankelijkheid, relationele kwaliteit en continuïteit van zorg, en welke spanningen en ambivalenties deze hybride praktijken oproepen. Centraal staat daarbij de vraag of de geestelijke gezondheidszorg werkelijk klaar is voor de integratie van ervaringsdeskundigheid. Wat betekent het om ervaringskennis niet enkel te erkennen, maar ook epistemische autoriteit te delen? En welke implicaties heeft dit voor organisatieculturen, professionele identiteiten en bestaande structuren van besluitvorming en verantwoordelijkheid?

Deze bijdrage nodigt uit tot reflectie over de voorwaarden waaronder ervaringsdeskundigheid kan uitgroeien tot een volwaardig en duurzaam onderdeel van intersectorale en geïntegreerde GGZ, en wat dit vraagt op vlak van samenwerking, organisatie en governance.”

 

 

SYMPOSIUM – S28
Machtig werk zonder handleiding: Psychotherapie aan mensen met een verstandelijke beperking vanuit verschillende perspectieven belicht
Voorzitter: Vanoverbeke Greet, Klinisch orthopedagoog – integratief psychotherapeut orthoagoog in de consulentenwerking en psychotherapeut, Ampel – CGG Prisma, Beernem

Met deze bijdrage willen we u inspireren vanuit eigen praktijkervaring in het ambulant therapeutisch werken met mensen met een verstandelijke beperking. We vertrekken vanuit diverse klinische praktijken, als psychotherapeut binnen een CGG, als ELP’er, als zelfstandig therapeut, therapeut vanuit het VAPH of binnen een gespecialiseerde werking — en we delen wat werkt én waar we blijven zoeken. We vertrekken daarbij vanuit een duidelijke overtuiging: psychotherapie met deze doelgroep vraagt geen perfecte therapeut, maar wel betrokkenheid en verbinding, klinische feeling en vooral goesting. Met die houding kan elke therapeut een goed-genoeg therapeut zijn.

Hoe kunnen we buiten de norm mensen ont-moeten en wat vraagt dit van de therapeut, het kader waarbinnen gewerkt wordt, de patiënt en diens context?
Spreker(s): Claessens, Björn, Klinisch psycholoog, psycholoog – contextueel en psychoanalytisch psychotherapeut, CGG Prisma, Blankenberge

Björn Claessens is contextueel en psychoanalytisch geschoold en werkt in de volwassenwerking te Blankenberge in het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg Prisma. Hij zal aan de hand van een casus toelichten hoe ook mensen met een verstandelijke beperking hun plaats hebben binnen een regulier aanbod voor ambulante individuele therapie. Daarbij stelt hij volgende vraag centraal: ‘Hoe kunnen we buiten de norm mensen ont-moeten en wat vraagt dit van de therapeut, het kader waarbinnen gewerkt wordt, de patiënt en diens context?’.

Drempels bij cliënten en hulpverleners binnen ELP vanuit een casus benaderd
Spreker(s): Storme Eva, Klinisch orthopedagoog, oplossingsgericht cognitief systeemtherapeut, Eerste Lijns Orthopedagoog, De Vestingen, Ieper

Eva Storme  is klinisch orthopedagoog en werkt als therapeut in psychologenpraktijk De Vestingen. Een deel van haar uren werkt ze als Eerstelijnspsycholoog (ELP). Via een casus wil ze vooral focussen op hoe we op een laagdrempelige manier ook personen met een verstandelijke beperking kunnen ondersteunen. Mits kleine aanpassingen in het reguliere aanbod kunnen we mensen met een verstandelijke beperking die een milde psychische problematiek hebben, tijdig ondersteunen. Door tijdig een aanbod te voorzien, hoeven milde problemen bij deze doelgroep niet per se door te groeien tot een complexe problematiek. Welke drempels ervaren hulpverleners in het reguliere aanbod en hoe kunnen we deze ondervangen? Welke drempels ervaren cliënten met een verstandelijke beperking en/of hun context en hoe kunnen we deze ondervangen?

S38.3 Gelijke hulpvragen en gedeelde zorg
Spreker(s): Vandierendonck Tinne, Psychotraumatherapeut en oplossingsgerichte therapeut, Zelfstandig psychotherapeut, Tordale vzw, Torhout

Tinne Vandierendonck  werkt als therapeut in VZW Tordale (VAPH) en heeft een zelfstandige praktijk als psychotraumatherapeut en oplossingsgerichte therapeut.  Ze wil graag bijdragen aan de missie dat psychotherapie voor mensen met een verstandelijke beperking en trauma niet iets ‘apart’ hoeft te zijn. Het gaat over cliënten met complexe problematieken met dezelfde hulpvragen zoals andere doelgroepen.  Vanuit haar ervaringen in het werkveld  belicht ze hoe therapeutische trajecten vorm krijgt, de samenwerking met reguliere diensten uitgebouwd kan worden, hoe inclusie op de manier uitgebouwd wordt.

Afgestemd op wie iemand is: psychotherapie bij verstandelijke beperking binnen een ’therapeutisch web’
Spreker(s): Traen Ann, Integratief Psychotherapeut, Psychotherapeut binnen Ampel, Ampel – vzw Prisma, Beernem

Julie Mostrey, Ann Traen en Greet Vanoverbeke werken in de therapiewerking in Ampel (CGG Prisma) een therapiewerking met als specifieke doelgroep mensen met een verstandelijke beperking.  Ze delen klinische ervaringen met het afstemmen van psychotherapie op deze doelgroep. Ze belichten aan de hand van een casus hoe therapie, therapeutische relatie en interactie worden aangepast aan de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van cliënten met een verstandelijke beperking én hun omgeving als ‘therapeutisch web’.

 

SYMPOSIUM – S29
Kwetsbaarheid en veerkracht in de perinatale periode: resultaten vanuit de PRIL-studie
Voorzitter
: Hompes Titia, PhD, Professor/ Psychiater, UPC KU Leuven, Leuven

De perinatale periode, is een periode van grote vreugde maar ook een zeer bewogen tijd vol uitdagingen waarbij ouders zich soms angstig of onzeker voelen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat (aanstaande) moeders kwetsbaar zijn voor emotionele problemen, zoals depressie en angst. Naar schatting kampt 1 op de 5 vrouwen met emotionele problemen tijdens de perinatale periode. Deze psychische problemen kunnen een belangrijke impact hebben op de (aanstaande) moeder, haar kind, de co-ouder en hun ondersteunend netwerk. Helaas worden bij driekwart van de vrouwen met depressieve stoornis of angststoornis deze klachten niet tijdig gedetecteerd en krijgt slecht een tiende van deze vrouwen gepaste hulp. Daarom proberen we met de PRIL (Perinatale mentale gezondheid Risico inschatting en Interventie in Leuven) studie, samen met (aanstaande) moeders, ervoor te zorgen dat we in de toekomst deze problemen sneller kunnen detecteren en aanpakken. Deze studie betreft een wetenschappelijk onderzoek dat bestaat uit een grootschalige longitudinale bevraging, alsook een interventiestudie betreffende mentale gezondheid bij (aanstaande) moeders in regio Leuven.

Perinatale mentale gezondheid vroeg in de zwangerschap: inzichten uit de PRIL studie
Spreker(s): Jansen Leontien, PhD, Postdoctoraal onderzoeker/ Klinisch psycholoog, UPC KU Leuven, Leuven

De perinatale periode staat bekend als een fase waarin het leven van vrouwen een nieuwe vorm krijgt. Deze transitie wordt vaak als positief gezien, waardoor mentale gezondheidsproblemen in deze periode lange tijd onderbelicht zijn gebleven. Toch tonen recente inzichten dat verschillende mentale gezondheidsproblemen kunnen ontstaan, terugkeren of aanhouden rond de zwangerschap. In de PRIL studie brengen we de mentale gezondheid en levensstijl van vrouwen vanaf vroege zwangerschap tot twee jaar postpartum systematisch in kaart, met als doel risicoprofielen vroegtijdig te detecteren en gerichte interventies te ontwikkelen. In dit deelonderzoek vulden vrouwen in het eerste trimester van de zwangerschap een online vragenlijst in met gevalideerde screeningsinstrumenten voor psychische problemen zoals depressie, angst, eetgedragsproblemen, suïcidale gedachten en gedrag en niet‑suïcidaal zelfverwondend gedrag. De resultaten tonen dat een breed spectrum aan mentale gezondheidsproblemen reeds vroeg in de zwangerschap aanwezig is, met een aanzienlijke functionele impact. Bovendien blijkt dat de aanvang van mentale gezondheidsproblemen vaak vóór de zwangerschap ligt. Deze bevindingen onderstrepen het belang van systematische, vroegtijdige screening binnen de antenatale zorg en vormen een basis voor longitudinale analyses naar ontstaan, aanhouden en comorbiditeit van psychische problemen tijdens de volledige perinatale periode. 

De impact van ACEs op perinatale depressie en angst: een longitudinale analyse
Spreker(s): Vanwetswinkel Femke, Msc, PhD-student/ Psychiater, UPC KU Leuven, Leuven

Recente studies tonen aan dat negatieve jeugdervaringen (Adverse Childhood Experiences (ACEs)) de kwetsbaarheid voor perinatale depressie en angst vergroten. De meeste bestaande studies maken vaak gebruik van cross-sectioneel onderzoek en bovendien wordt de impact van specifieke subcategorieën van ACEs vaak niet afzonderlijk gerapporteerd. Daarom werd binnen de PRIL studie de longitudinale impact van ACEs en specifieke ACE-subcategorieën op depressieve en angstklachten gedurende de perinatale periode onderzocht.

Lineaire mixed-effects modellen werden uitgevoerd op data verzameld van T1 (eerste zwangerschapstrimester) tot en met T6 (6 maanden postpartaal). De studiepopulatie bestaat uit meer dan 500 deelnemers. We maakten gebruik van de Edinburgh Postnatal Depression Scale (EPDS) en de Generalized Anxiety Disorder 7-item schaal (GAD-7) voor de meting van depressieve en angstsymptomen.

Uit multivariate analyses bleek dat ACEs zowel depressieve als angstklachten significant voorspelden, ook na controle voor confounders. Binnen de ACE-subcategorieën was emotionele mishandeling significant geassocieerd met zowel depressieve als angstklachten, terwijl crimineel gedrag van ouders uniek geassocieerd was met angstklachten.

Vrouwen met een voorgeschiedenis van ACEs hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van depressieve en angstklachten tijdens de perinatale periode. Het integreren van ACE-screening kan bijdragen aan de vroegtijdig detectie en behandeling van kwetsbare vrouwen om zo de impact voor moeder en kind te beperken.

Perinatale mentale gezondheidsproblemen bij multipare ouders
Spreker(s): Mutsaerts Lien, Msc, PhD-student/ Klinisch psycholoog, KU Leuven, Leuven

Hoewel het onderzoek naar perinatale mentale gezondheid de voorbije jaren sterk is toegenomen, richt het zich voornamelijk op ouders die een eerste kind krijgen (nullipare of primipare ouders). Pariteit wordt in perinataal onderzoek vaak niet meegenomen, of slechts zelden als centrale focus beschouwd. Het beperkte onderzoek dat pariteit expliciet onderzoekt levert bovendien gemengde bevindingen op, waardoor het verband tussen pariteit en perinatale mentale gezondheid onduidelijk blijft.

Hierdoor is nog weinig bekend over de specifieke ervaringen en kwetsbaarheden van multipare ouders, nochtans vertegenwoordigen zij een groot deel van de gezinnen. Meer dan de helft van de ouders in België krijgt meer dan één kind (Bentouhami et al., 2025), wat betekent dat veel ouders de perinatale periode niet één, maar meerdere keren doormaken en dus herhaaldelijk worden blootgesteld aan een fase van verhoogde psychologische kwetsbaarheid.

In deze bijdrage presenteren we bevindingen uit twee studies. Ten eerste bespreken we () resultaten van een systematische review en meta-analyse naar perinatale depressie bij multipare ouders. Ten tweede lichten we resultaten toe van een longitudinale studie binnen de PRIL-studie, waarin trajecten van perinatale mentale gezondheidsproblemen worden onderzocht en de rol van pariteit als mogelijke voorspeller wordt geëvalueerd.

Eventuele opmerkingen: Referentie: Bentouhami, H., Fomenko, E., Laubach, M., De Coen, K., Bogaerts*, A. & Roelens*, K. (2025). Perinatale gezondheid in Vlaanderen – Jaar 2024. Brussel: Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie.

Screening en doorverwijzing bij perinatale mentale gezondheidsproblemen: ervaringen en visie van vrouwen met een migratieachtergrond en rol van acculturatie
Spreker(s): Puttemans Floor, Msc, PhD-student/ Kinesist, KU Leuven, Leuven

In 2024 had een derde van de pasgeborenen in Vlaanderen een moeder van niet-Belgische afkomst, wat de toenemende diversiteit in de perinatale populatie benadrukt. Onderzoek toont aan dat vrouwen met een migratieachtergrond bijzonder kwetsbaar zijn voor perinatale mentale gezondheidsproblemen, maar minder vaak gescreend worden dan vrouwen zonder migratieachtergrond, wat hun toegang tot gespecialiseerde zorg hindert (Marti-Castaner et al., 2022). Uit de literatuur blijkt dat dit voortkomt uit uitdagingen in het screeningsproces voor zowel vrouwen zelf als voor hun zorgverleners.

Vrouwen met een migratieachtergrond vormen echter een bijzonder heterogene groep, waarbij acculturatie hun zorgervaringen mee kan sturen. Acculturatie omvat de veranderingen in attitudes, gedragingen, waarden, en culturele identiteit door rechtstreeks contact tussen diverse culturele groepen. Kwantitatief onderzoek suggereert dat kenmerken van ‘lagere’ acculturatie, zoals kortere verblijfsduur of oudere leeftijd bij migratie, samenhangen met gemiste screening (Marti-Castaner et al., 2022). Dit onderzoek hanteert daarbij echter een eendimensionale benadering waarin het aspect van cultuurbehoud onderbelicht blijft.

Deze studie onderzocht daarom de ervaringen en visie van vrouwen met een migratieachtergrond rond screening en doorverwijzing en de rol van bidimensionale acculturatie, inclusief cultuurbehoud. Er werd een kwalitatieve interviewstudie uitgevoerd met 15 (aanstaande) moeders met een migratieachtergrond van eerste generatie, gerekruteerd in UZ Leuven via de PRIL-studie, en geanalyseerd via reflexieve thematische analyse volgens Braun & Clarke (2021). De resultaten en conclusie van dit onderzoek worden tijdens deze uiteenzetting toegelicht.

Eventuele opmerkingen:

Referenties: Marti-Castaner, M., Hvidtfeldt, C., Villadsen, S. F., Laursen, B., Pedersen, T. P., & Norredam, M. European Journal of Public Health, 2022. Disparities in postpartum depression screening participation between immigrant and Danish-born women, 32(1), 41–48;   Braun, V., & Clarke, V. 2021. Thematic Analysis: A Practical Guide. Los Angeles: SAGE Publications.

Verbinden, versterken, begeleiden: de kracht van perinatale zorg vandaag
Spreker(s): Versavel Lies, Bsc, Vroedvrouw/ Coördinator Onderzoek & Ontwikkeling, Expertisecentrum Perinatale Zorg De Bakermat, Leuven

Het Expertisecentrum Perinatale Zorg De Bakermat staat – samen met de andere Vlaamse en Brusselse expertisecentra – garant voor kwaliteitsvolle, toegankelijke en betaalbare zorg voor moeder en kind. Als gids voor zwangere en prille gezinnen, en als schakel tussen welzijn en gezondheid, zijn deze centra dé experts in de eerste 1000 dagen, met bijzondere aandacht voor kwetsbare gezinnen. Vanuit deze rol staan ze aan de basis van diverse innovatieve projecten binnen de perinatale zorg, en zijn zij ook betrokken in de PRIL (Perinatale mentale gezondheid Risico inschatting en Interventie in Leuven) studie. Tegen deze achtergrond worden reflecties aangeboden op de geïntegreerde perinatale zorg in België, geïnspireerd door inzichten verkregen in de PRIL studie rond perinatale mentale kwetsbaarheid, de noden en ervaringen van ouders inzake screening, doorverwijzing en vroegtijdige interventie.

Waar verdere optimalisatie van perinatale geestelijke gezondheidszorg noodzakelijk is, vertrekken de praktijk gerelateerde reflecties in deze lezing vanuit de veerkracht van de vrouw. Door deze perspectieven te bundelen wordt zichtbaar hoe reeds aanwezige ondersteuning, interprofessionele samenwerking en cultuurgevoelige zorg gezinnen vandaag al versterken – en hoe deze fundamenten verder kunnen worden uitgebouwd op basis van de resultaten van de PRIL studie.

 

 

SYMPOSIUM – S30
Samen sterk in herstel – leren van patiënt- en familie-ervaringsdeskundigen in de forensische zorg
Voorzitter: Cappon Leen, Doctoraat, Wetenschappelijk onderzoeker, PC Sint-Jan-Baptist ScienceForCare, Zelzate

Ervaringsdeskundigen (ED) en familie-ervaringsdeskundigen (FED) worden steeds vaker erkend als waardevolle partners in herstelgerichte en familie-inclusieve forensische geestelijke gezondheidszorg (FGGZ). Toch staat hun inzet in deze sector nog in de kinderschoenen en ontbreken concrete handvatten om deze rollen veilig, duurzaam en effectief vorm te geven.

Met ondersteuning van de FOD Volksgezondheid werd een praktijkgericht onderzoeksproject uitgevoerd dat focust op het implementeren van (familie-)ervaringsdeskundigheid in de FGGZ. De doelstelling van dit project was het ontwikkelen van tools zodat een duurzame implementatie van patiënt- en familie-ervaringsdeskundigheid in de FGGZ mogelijk gemaakt wordt. Zo wordt tegemoetgekomen aan de vraag vanuit de praktijk naar duidelijke en duurzame implementatierichtlijnen. Dit project heeft concreet geresulteerd in een vorming, een draaiboek en een coachingsaanbod, dat tijdens een pilootproject van 9 maanden getest werd in vier forensische zorgorganisaties. Twee van deze organisaties focusten op het werken met ED en de andere twee op het werken met FED.

In dit symposium wordt stilgestaan bij: (1) het uitgewerkte draaiboek en bijbehorende vorming, (2) de organisatie van impactsessies om de stem van zorggebruikers en naasten een plaats te geven, (3) de evaluatie van het pilootproject en (4) een getuigenis van één van de deelnemers aan het pilootproject.”

Een inkijk in de vorming en het draaiboek over patiënt- en familie-ervaringsdeskundigheid in de FGGZ
Spreker(s):
Steeman Kim, Mevrouw, Directeur Familieplatform, Familieplatform, Berchem

Bij de duurzame implementatie van patiënt- en familie-ervaringsdeskundigheid in de FGGZ hoort een implementatieproces dat stap voor stap doorlopen moet worden. Dit proces start bij het realiseren van een patiënt- en familiegerichte cultuur en gaat tot het maken van concrete actieplannen om een ED of FED aan te werven en samen aan de slag te gaan. Het draaiboek en de vorming die werden ontwikkeld in kader van dit praktijkgerichte onderzoeksproject lichten deze verschillende stappen toe.

In deze eerste lezing van het symposium wordt het model van waaruit het draaiboek en de vorming vertrekken toegelicht. De verschillende stappen van het implementatietraject worden één voor één besproken. Concreet wordt stilgestaan bij randvoorwaarden, het ontwikkelen van een duidelijke visie op ED en FED en het omzetten van deze visie in concrete actiepunten. Tot slot wordt ook aandacht besteed aan evaluatie en bijsturing om zo een structurele inbedding van ED en FED in de FGGZ te realiseren.

Aan de slag met de ideeën van zorggebruikers en familie in de FGGZ: Do’s en Don’ts van impactsessies
Spreker(s): Beelen Lien, Mevrouw, Projectmedewerker internering en familievertegenwoordiging Similes vzw, Similes vzw, Heverlee
Katlijn Van der Meeren, referentiepersoon ervaringsdeskundigheid internering bij FOD Volksgezondheid

Bij de duurzame implementatie van patiënt- en familie-ervaringsdeskundigheid in de FGGZ is het cruciaal om de perspectieven van zorggebruikers, familieleden en hulpverleners in kaart te brengen. Dit kan via het organiseren van impact- of participatiesessies. Dit zijn verbindende gespreksmomenten waarin zorggebruikers, familieleden en hulpverleners met elkaar in dialoog gaan. Deze sessies bieden ruimte voor gerichte informatie-uitwisseling, het delen van goede praktijken en het verzamelen van suggesties en aanbevelingen vanuit meerdere perspectieven. De interactie tussen deelnemers leidt tot wederzijds begrip, herkenning en het ontstaan van gezamenlijke aanbevelingen. Door perspectieven met elkaar te verbinden, ontstaan bruikbare handvatten voor verbeterde patiënten- en familieparticipatie in de praktijk. In deze tweede lezing van het symposium wordt toegelicht hoe een participatiesessie met reële impact kan worden opgezet en gefaciliteerd in de FGGZ, zodat zowel informatie als inspraak gegarandeerd wordt. Het opzet, de methodiek en succesfactoren van dergelijke sessies worden besproken. Dit gebeurt aan de hand van voorbeelden uit de impactsessies die georganiseerd werden in het kader van dit praktijkgerichte onderzoeksproject.

Aan de slag met patiënt – en familie-ervaringsdeskundigheid in de FGGZ: Een procesevaluatie
Spreker(s): Pouille Aline, Dr., Postdoctoraal onderzoeker, UGent – Vakgroep orthopedagogiek, Gent
Louise Van Gysel (UGent – Vakgroep Orthopedagogiek)
Sara Rowaert (PC Sint-Jan-Baptist – ScienceForCare)

Om een duurzame implementatie van patiënt- en familie-ervaringsdeskundigheid in de FGGZ te realiseren, is het cruciaal om de ontwikkelde tools te testen en de ervaringen hierover te verzamelen via een pilootproject. Hierin kregen vier zorgorganisaties in de FGGZ – twee met focus op ED en twee met focus op FED – een vorming. Na de vorming gingen deze organisaties aan de slag met het ontwikkelde draaiboek en werden zij hierin ondersteund via een coachingsaanbod. Deze hele pilootfase werd procesmatig geëvalueerd aan de hand van vragenlijsten en interviews. De vragenlijsten werden ingevuld door het volledige betrokken team en dit voor de vorming (premeting), kort na de vorming (postmeting 1) en op het einde van het pilootproject (postmeting 2). Op het einde van het pilootproject werden ook de coördinatoren van het project binnen de zorgorganisatie, een medewerker en de eventueel aangeworven ED of FED geïnterviewd over het verloop van het pilootproject. In deze derde lezing van het symposium wordt stilgestaan bij de bevindingen vanuit deze vragenlijsten en interviews. Hierbij wordt expliciet stilgestaan bij de positieve ervaringen en de uitdagingen. Deze informatie helpt om het ontwikkelde draaiboek bij te sturen en na te gaan hoe we de implementatie van ED en FED verder kunnen verduurzamen in de FGGZ.

Aan de slag met een ervaringsdeskundige in de FGGZ: Een getuigenis vanuit het pilootproject
Spreker(s): De Wilde Jan, De Heer, Coördinator, Mobiel Forensisch Team, Hof van Beroep Gent, Zelzate
Jill Van de Perre, ervaringsdeskundige bij het Mobiel Forensisch Team Hof van Beroep Gent

Bij de duurzame implementatie van patiënt- en familie-ervaringsdeskundigheid in de FGGZ is het cruciaal om de ontwikkelde tools te testen en de ervaringen hierover te verzamelen. In het kader van dit praktijkgerichte onderzoeksproject gingen vier zorgorganisaties gedurende 9 maanden aan de slag met het ontwikkelde draaiboek. Daarnaast organiseerden deze organisaties een impactsessie en volgden coachingssessies. Eén van deze zorgorganisaties wil graag getuigen over hoe zij het verloop van dit pilootproject hebben ervaren.

In deze laatste lezing van het symposium laten we dan ook de coördinator van het Mobiel Forensische Team Hof van Beroep Gent en de aangeworven ervaringsdeskundige aan het woord. Zij vertellen kort iets over hun werking en gaan dan elk vanuit hun eigen perspectief in op de positieve ervaringen en uitdagingen in het werken met ED in de FGGZ. De ervaringsdeskundige licht dit toe aan de hand van een casus. De coördinator staat stil bij de georganiseerde impactsessie, de ervaringen van het team en de getuigenissen vanuit het netwerk. Hierbij wordt ook expliciet aandacht besteed aan de rol van het draaiboek in het implementatieproces. Ze ervoeren het draaiboek als leidraad, in het bijzonder in de voorbereidende fase. Hun ervaringen zullen een inspiratiebron zijn voor andere zorgorganisaties in de FGGZ die met ED of FED aan de slag willen.