Posterbijdragen

P01 Wanneer het onzichtbare tastbaar wordt
Souad Abihi, master verpleeg-en vroedkunde/ziekenhuismanagement, verpleegkundig specialist psychiatrie
Algemeen ziekenhuis Groeninge, Kortrijk

Binnen het ziekenhuis worden er weinig incidentmeldingen geregistreerd rond agressie terwijl de realiteit ons iets anders vertelt. Het niet registreren van een agressie-incident is niet enkel nefast voor de statistieken maar des te meer voor de medewerker zelf. Niet geregistreerd, is niet gebeurd en betekent ook geen nazorg. Vanuit deze bezorgdheid werd in 2019 een bevraging gedaan bij de zorgmedewerkers. Bij de opmaak van de bevraging werd advies ingewonnen bij ICOBA. Deze bevraging had als doel om de verticale agressie (= medewerkers vs. patiënten/familie/bezoeker) op de werkvloer en de oorzaken van het niet consequent registreren van agressie-meldingen in kaart te brengen. Er waren 449 respondenten. Uit de bevraging bleek dat van de respondenten de voorbije 12 maanden 35% in aanraking is gekomen met fysieke agressie, 63% met verbale agressie en 64% met lastig gedrag. 49% is op zijn hoede geweest voor fysieke agressie, 68% voor verbale agressie en 72% voor lastig gedrag. 70% had nooit opleiding/training gehad inzake omgaan met agressie en 51% gaf aan hier nood aan te hebben. 60% van de respondenten vond de betrokkenheid van de leidinggevende na een agressie-incident heel belangrijk. Om het agressiebeleid te optimaliseren werd een multidisciplinair team opgericht. Dit team bestaat uit medewerkers vanuit diverse functies en disciplines. Het doel is om verbeterdoelstellingen te formuleren, om van elkaar te leren en training/opleiding te voorzien voor de medewerkers. Met deze presentatie vatten we de relevante bevindingen uit de bevraging samen en stellen we de stapsgewijze werking tot een gedragen implementatie van een agressiebeleid voor.

P03 Maladaptieve persoonlijkheidstrekken bij oudere volwassenen: een studie naar de dimensionale benadering van persoonlijkheidsstoornissen van DSM-5 sectie III en ICD-11.
Morag Facon, Master in de Psychologie, Doctoraatsstudent Psychologie, Vrije Universiteit Brussel, Mechelen

Naarmate mensen ouder worden, veranderen de levensomstandigheden op vlak van o.a. sociale -, fysieke -, psychologische – en economische kenmerken. Hiermee gepaard, kunnen ook persoonlijkheidsstoornissen bij oudere volwassenen (65+) zich anders manifesteren dan bij jongere volwassenen. In de DSM-5 (APA, 2013) categorische criteria van persoonlijkheidsstoornissen ontbreekt aandacht voor deze unieke levenscontext van oudere volwassenen. Mogelijks zijn de innovatieve, dimensionale paradigma’s van het Alternatieve Model voor Persoonlijkheidsstoornissen (AMPS) (APA, 2013) en de benadering in ICD-11 (WHO, 2019) beter geschikt voor het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen. Hoewel bij de ontwikkeling van deze paradigma’s de aandacht niet specifiek ging naar uitingswijzen van persoonlijkheidspathologie op latere leeftijd, is hun conceptualisatie van persoonlijkheidsstoornissen wellicht meer leeftijdsneutraal. In deze paradigma’s wordt een hiërarchisch model van persoonlijkheidstrekken en onderliggende facetten voorgesteld. Deze studie richt zich op de constructvaliditeit van het AMPS – en ICD-11 trekmodel. Concreet nemen we bij 251 ouderen uit de algemene populatie de Personality Inventory for DSM-5 Brief Form Modified+ af, een korte vragenlijst ontwikkeld om de AMPS en ICD-11 trekdomeinen en -facetten na te gaan. Aan de hand van een targetrotatie, zullen we de validiteit van de vooropgestelde AMPS – en ICD-11 structuur nagaan bij ouderen.

P04 Patiëntenprofielen in high-security forensische psychiatrie in Vlaanderen
Sophie Verschueren, Master criminologische wetenschappen; seksuologie, Wetenschappelijk onderzoeker
FPC Antwerpen, Antwerpen

Recent onderzoek benadrukt het belang van een gepersonaliseerde behandeling in de forensische psychiatrie. De heterogeniteit van forensische patiënten bemoeilijkt echter het aanbieden van een gepersonaliseerde behandeling vanwege een verscheidenheid aan misdrijven en psychiatrische stoornissen. Om dit proces te vergemakkelijken, heeft eerder internationaal onderzoek patiëntprofielen ontwikkeld met bijbehorende behandeltrajecten en modules om individuele patiënten te vergelijken met meer homogene groepen. In Vlaanderen ontbreekt gelijkaardig onderzoek, terwijl dergelijk onderzoek essentieel is om te kunnen spreken van profielspecifieke behandelplannen. De huidige studie paste latente klasse analyse toe in een Vlaamse high-security forensische populatie. Patiënten in de twee Forensisch Psychiatrische Centra (N = 399) in Vlaanderen werden geëvalueerd op basis van psychopathologie, criminele geschiedenis, en risico- en protectieve factoren (Historische Klinische Toekomst – Revised; HKT-R). Er werden vijf patiëntenprofielen gevonden: de antisociale patiënt, de psychotische patiënt met divers crimineel gedrag, de patiënt met een persoonlijkheidsstoornis en meervoudige problematiek, de psychotische patiënt met fysieke geweldsdelicten, en de patiënt met een parafiele stoornis en seksuele delicten. Overeenkomsten en verschillen met eerder onderzoek, alsook klinische implicaties worden besproken.

P05 Developing and testing a systemic assessment tool and intervention protocol for burn-out: The InterPersonal Perspective Scale
Paul Castelijns, master, Staflid Interactie-Academie, PhD kandidaat Ugent Interactie-Academie – Ugent, Tilburg

De behandeling van burn-out klachten bestaat voornamelijk uit therapeutische benaderingen die worden gekenmerkt door een intrapersoonlijk en individueel karakter. Deze behandelingen hebben in beperkte mate positieve resultaten bij milde burn-out klachten en er is geen substantieel bewijs dat deze behandelingen positieve resultaten vertonen bij ernstige klachten. In andere woorden, een effectieve evidence-based interventie voor ernstige burn-out klachten is afwezig, waardoor de maatschappij, werkgevers, werknemers en clinici voor een enorme uitdaging staan.

Echter, in de kern is burn-out ook een zeer interpersoonlijke kwestie. Veel psychologische modellen bevestigen dit en benadrukken het belang van hoe een professional interacteert en relateert aan zijn of haar sociale werk omgeving. Hierbij is de incongruentie van waarden tussen henzelf en hun organisatie context een voorspeller voor burn-out klachten.

Met dit onderzoeksproject richten we ons op het door ontwikkelen en valideren van een assessment tool en interventie protocol wat wordt gekenmerkt door een focus op interpersoonlijke processen en waarden (in)congruentie in het bijzonder. Eerste klinische try-outs van deze ‘IPPS assessment tool en interventie protocol’ zijn veelbelovend en onderzoek naar zijn wetenschappelijke en klinische meerwaarde is op dit moment in een opstartfase. In deze presentatie, worden de volgende vragen uitgewerkt:

1. Welke informatie weerspiegelt de IPPS data over burn-out en de hieraan gerelateerde interpersoonlijke processen?
2. Wat is de therapeutische effectiviteit van het IPPS interventie protocol?
3. Welke therapeutische mechanismen zijn betrokken in het IPPS interventie protocol?

P06 Is drop-out gerelateerd aan beveiligingsniveau?
Inge Jeandarme, forensisch psychiater, Coordinator KeFor OPZC Rekem, Rekem

In deze studie vergeleken we 25 patienten die hun behandeling niet afmaakten (drop-out) met 25 die patienten die hun behandeling wel afmaakten (Jeandarme e.a., 2021). De studie vond plaats in een forensische steekproef van geinterneerde mannen behandeld in OPZC Rekem op afdelingen met een gemiddeld beveiligingsniveau. ‘Drop-out’ werd gedefinieerd als het niet voltooien van de behandeling, ongeacht of de behandeling door de staf of door de patient zelf werd beëindigd. De meeste patiënten hadden een psychose en/of persoonlijkheidsstoornis en vaak ook stoornissen in het gebruik van middelen. DUNDRUM-1, PCL-R Facet 4 en HCR-20 scores waren significant hoger in geval van drop-out. Echter, na binaire logistische regressie was alleen de DUNDRUM-1 onafhankelijk geassocieerd met drop-out. Daarom wordt gesuggereerd dat de DUNDRUM-1 een nuttige aanvulling kan zijn bij de bestaande risicotaxatieinstrumenten om therapeutisch beveiligingsniveau op een gestandaardiseerde manier in te schalen.

P08 Evaluatie van een brochure omtrent slapeloosheid om de implementatie van richtlijnen over slapeloosheid te ondersteunen
Kristien Coteur, MSc in de familiale en seksuologische wetenschappen, PhD candidate, KU Leuven, Leuven

Aan de hand van co-design ontwikkelden patiënten en zorgverleners samen een brochure omtrent slapeloosheid. Doorheen verschillende fases werd invulling gegeven aan de inhoud en lay-out. De tekst werd opgesteld in samenwerking met een geletterdheidexpert om te zorgen dat de brochure gepast is voor een breed publiek. Na evaluatie door de deelnemers, werd de finale brochure gelanceerd in de eerstelijnszorg. Zes maanden later werden de zorgverleners uitgenodigd om het gebruik van de brochure te evalueren. In een vragenlijst konden ze toelichten of ze de brochure hadden gebruikt en hoe het gebruik werd ervaren. In het algemeen werd de brochure als uitnodigend en nuttig ervaren. Zowel de inhoud als het design werden meermaals expliciet geprezen. Tevens werd de brochure in de praktijk ingezet om te staven waarom er voor een niet-medicamenteuze aanpak van slapeloosheid werd gekozen. Het project leidde tenslotte ook tot een samenwerking met Gezond Leven vzw, waarmee we nu richten op een toevoeging van het thema “slaap” aan www.gezondleven.be, met als doel meer erkenning voor slaap als een cruciale pijler in een gezonde levensstijl.

P09 What works for whom? Implementation of the experience sampling method in the clinical practice.
Rafaël Bonnier, Master klinische psychologie, PhD researcher Center for Contextual Psychiatry, Hulshout

We onderzoeken de werkzaamheid van een op ACT (acceptance & commitment therapy) gebaseerde EMI (ecological momentary intervention). We onderzoeken of deze even goed werkt voor iedereen die het gebruikt, of er bepaalde subpopulaties bestaan waarvoor deze intervetie minder goed werkt of mogelijks nadelig. We zijn dan vooral geïnteresseerd in geslacht, opleidingsniveau, blootstelling aan traumatische events en persoonlijkheidstrekken.

P10 Parantee-Psylos wordt G-sport Vlaanderen
Thomas Botterman, Master, Stafmedewerker sportaanbod sporters met een psychische kwetsbaarheid, Parantee-Psylos vzw, Gent

G-sportfederatie Parantee-Psylos vzw fusioneert in maart 2022 met G-Sport Vlaanderen vzw. Deze nieuwe sportorganisatie zal verder gaan onder de noemer G-Sport Vlaanderen. De ‘G’ staat meer dan ooit voor Gezond sporten, Gelijkwaardig sporten, Gezwind sporten, Gezellig sporten, … Deze nieuwe organisatie richt zich naar volgende doelgroepen: sporters met een fysieke, verstandelijke, visuele of auditieve beperking, sporters met autisme spectrum stoornis, sporters met een psychische kwetsbaarheid en sporters met een chronische ziekte.
Aan de hand van deze posterpresentatie willen we voor de bezoekers van het congres duidelijkheid brengen in het veranderende sportlandschap en bijzondere aandacht besteden aan de rol die G-Sport Vlaanderen opneemt inzake sporters met een psychische kwetsbaarheid.

P11 Zorgcentra na seksueel geweld. Wie? Wat? Wanneer?
Veerle Weyne, Hoger universitair onderwijs, Forensisch verpleegkundige ZSG, psychologen ZSG Zorgcentra na seksueel geweld ( ZSG Gent – CVPS Brussel), Gent

Vanuit de verschillende Zorgcentra na Seksueel geweld (ZSG) willen we graag onze werking aan een groter publiek voorstellen. De ZSG’s zijn een nationaal project gecoördineerd door het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM). Het eerste ZSG opende in 2017 zijn deuren en de bedoeling is dat in eind 2023 elke provincie over een ZSG beschikt. Als hulpverleners willen wij slachtoffers na seksueel geweld en hun naasten ondersteunen op zowel juridisch, medisch als psychologisch vlak binnen een holistisch zorgkader geënt op maatwerk. De zorg vind plaats binnen het zogenaamde One-stop model. Een slachtoffer kan er terecht om eventuele letsels te laten verzorgen, bewijsmateriaal te verzamelen, psychologische begeleiding te krijgen voor zowel het slachtoffer en zijn naaste(n) en er kan vrijblijvend klacht worden ingediend. Het zorgcentrum in voornamelijk gericht op acuut seksueel geweld, Slachtoffers kunnen er 24/24 terecht voor seksueel geweld van maximum 7 dagen geleden. Wanneer dit langer geleden is het Zorgcentrum is en 7 dagen op 7 bereikbaar tussen 7u en 22u. Draagt het zorgcentrum bij aan wetenschappelijk onderzoek over seksueel geweld. Er werd een uitgebreide haalbaarheidsstudie uitgevoerd naar de implementatie en best practice model van het ZSG. Daarnaast zijn er reeds enkele gepubliceerde onderzoeken naar incidentie , toegankelijkheid en de karakteristieken slachtoffers die zich aanmelden in de Belgische zorgcentra. Er zin ook nog meerdere onderzoeken lopende.

P12 Zorgmijding ombuigen in functie van herstel
Ellen Berghmans, Klinisch Psycholoog, Zorgmanager Mobiele Teams, Activering en Polikliniek, Zorggroep Multiversum en KU Leuven, Mortsel

Één op drie personen met een ernstige psychiatrische aandoening, en vooral diegene met een hoge mate van psychopathologie, vinden moeilijk hun weg naar geestelijke gezondheidszorg of onttrekken zich uit zorg (O’Brien et al., 2009). Door de verdere deinstitutionalisering van ggz en de shift naar gemeenschapsgerichte zorg, is het van ultiem belang om deze groep niet uit het oog te verliezen (Mulder et al., 2014). Om tegemoet te komen aan deze unmed need, startten in 2018 zes Vlaamse aanklampende teams met als doel deze personen (terug) te betrekken in zorg. De doelgroep zijn personen die zorg mijden en zich in een precaire situatie bevinden. Via concept mapping werd met de aanklampende teams in kaart gebracht wat de helpende en belemmerende factoren zijn om zorgmijding om te buigen naar herstel ondersteunende zorg. De resultaten van deze bevraging worden gepresenteerd en concreet gemaakt aan de hand van duidelijke handvaten voor hulpverleners binnen outreach.

P13 Werken met familie in de praktijk: 6 pijlers
Greet Pauwels, MSc, vrijwilligerscoach, Similes vzw, Heverlee

Een psychische kwetsbaarheid raakt meer dan één persoon. Ook familie ervaart een impact en draagt de kleine en grote gevolgen. Wanneer de balans tussen draaglast en draagkracht daarbij negatief overhelt, wordt het herstelproces van familie en patiënt belemmerd.
Similes versterkt familie via lotgenotencontact, informatie, vorming en ontspanning. Daarnaast ijvert Similes voor een familiebetrokken GGZ. De mate waarin, en de manier waarop familie betrokken wordt in de zorg, maakt namelijk dat familie zich in hun evenwicht geholpen of gehinderd voelt. Verschillende GGZ organisaties, zich bewust van het belang van een goede familiewerking, deden reeds beroep op Similes om samen een familiebeleid vorm te geven of tot een hoger niveau te tillen. In deze adviestrajecten worden specifieke methodieken ingezet om zowel het perspectief van de medewerkers als van familie op de familiewerking van de organisatie te vatten. Van daaruit wordt het groeipad duidelijk. Steeds staan de 6 pijlers van werken met familie centraal: werken met familie is familie zien, familie vriendelijk bejegenen, familie informeren, familie ondersteunen, familie betrekken in het zorgtraject en familie betrekken in de organisatie van de zorg.
In samenwerking met het Familieplatform verzamelt Similes op de website familie-praktijk.be good practices binnen deze 6 pijlers om zorgprofessionals een leidraad te bieden in hun familiewerking.